Is Renault een Duits Merk? Een Blik op de Geschiedenis van een Frans Icoon

Renault S.A. is een Franse fabrikant van personenauto's, bedrijfswagens, trucks, tractoren en vliegtuigmotoren. Het hoofdkantoor van het concern is gevestigd in Boulogne-Billancourt en het onderzoekshoofdkantoor (Technocentre Renault) in Saint-Quentin-en-Yvelines. Het concern is opgericht door Louis Renault en is een groot gedeelte van zijn bestaan staatsbedrijf geweest, onder de naam Régie Nationale des Usines Renault. De bijnaam van het Franse merk is dan ook 'La Régie'.
Renault Logo

De Vroege Jaren: Van Voiturette tot Renault Frères

Op kerstavond in 1898 staan Louis Renault en zijn broers, Marcel en Fernand met wat vrienden te praten over de auto die voor de deur staat. Het is een Voiturette, die de 22-jarige Louis als experiment in elkaar gezet heeft door zijn De Dion-Bouton driewieler om te bouwen tot een vierwielig motorvoertuig. Louis, destijds werkzaam bij het verwarmingsketelbedrijf Delaunay-Belleville, heeft een versnellingsbak ontworpen waarbij de motoras in de eerste versnelling rechtstreeks (prise directe) een cardanas aandrijft die eindigt in een differentieel.

Een feestende advocaat besluit om een weddenschap af te sluiten met Louis en deze vertrekt met zijn voertuig de Rue Lepic in, de Montmartre omhoog. In die tijd een onbezonnen actie daar deze weg een stijgingspercentage kent van 13%. De advocaat is zo onder de indruk van de auto dat hij er meteen één voor zichzelf bestelt bij de jonge Fransman, alsook de rest van het gezelschap.

De gebroeders Renault

De broers Renault: v.l.n.r. Marcel, Fernand en Louis Renault

Samen met zijn broers, Marcel en Fernand, richt hij op 25 februari 1899 Renault Frères op, als hij merkt dat er een grote belangstelling is voor de auto's die hij produceert in de achtertuin van het landhuis dat zijn vader heeft gekocht in Boulogne-Billancourt (Parijs). De onderneming groeit snel en de klanten komen van heinde en verre om de auto's van de gebroeders Renault te kopen. Het productieaantal van Renault stijgt snel; van 2200 auto's in 1906, naar 3800 in 1908 en bijna een verdubbeling binnen twee jaar naar 6800 (1910).

Marcel Renault overlijdt in 1903 als hij verongelukt tijdens de rally van Parijs naar Madrid. In april 1911 vertrekt Louis naar de Verenigde Staten om te kijken naar de productiefaciliteiten van Ford, waar heel Europa over aan het praten was. Hij ontmoet Henry Ford en als hij terugkeert naar Parijs is hij vastbesloten om Renault een van de grootste industriële concerns van Frankrijk te maken.

Lees ook: Schakelproblemen Renault achteruit

Renault wordt al snel ontdekt door de Franse elite en binnen een korte tijd wordt het automerk aangesproken door de adel en topzakenmannen uit het Verenigd Koninkrijk, Argentinië, Rusland en Spanje. Tijdens het bezoek van de koning en koningin van Spanje in 1906 verplaatst het gezelschap zich in een Renault 35 CV, samen met de Franse president Emile Loubet.

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt staat Frankrijk voor een dilemma omdat er te weinig gemotoriseerde voertuigen beschikbaar zijn om de oorlog voort te kunnen zetten. Renault wordt een belangrijke spil van het Franse leger als Louis akkoord gaat om geavanceerde pantservoertuigen te produceren voor de oorlog (zie FT-17).

De Tussenliggende Jaren: Innovatie en Uitbreiding

Na de Vrede van Versailles (1919) voorspellen vele economen een slechte toekomst voor Europa, nu grote delen van Frankrijk en Duitsland verwoest zijn. Op de Autotentoonstelling van Parijs in 1927 neemt het flink gegroeide bedrijf afscheid van een van de succesvolste automodellen uit die tijd, de Renault 40 CV. Dit topmodel heeft Renault niet alleen veel geld opgeleverd, de auto won ook de Rally van Monte Carlo in 1925 en brak verscheidende records.

Van 3 tot 4 juni legde een 40 CV in 24 uur precies 3384,749 kilometer af, waarmee de 40 CV het snelheidsrecord verbeterde. Over een tijdsbestek van 24 uur reed de auto gemiddeld 141,031 kilometer per uur, een prestatie destijds.

In 1928 verrast Renault door op de Autotentoonstelling van Parijs met een opvolger van de 40 CV te komen; de Reinastella (officieel: RM). De grootste verrassing ligt onderhuids, het is de allereerste Renault met een achtcilindermotor. De Reinastella zal een van de laatste modellen in die vorm van Renault zijn en de Reinastelladynastie eindigt dan in 1938.

Lees ook: Afmetingen en specs Clio 2012

De beurskrach aan de andere kant van de oceaan zorgt ervoor dat de luxe, elitaire Reinastella overbodig raakt. Renaults productie daalt door de krach met 26% en Frankrijk zakt snel op de wereldranglijst van autofabrikanten. Het Parijse autobedrijf komt de klap te boven als het in 1930 en de jaren daarna allerlei nieuwe modellen introduceert, zoals de Nervastella, de Reinasport en de Nervasport.

Aan het einde van de jaren dertig waait uit de Verenigde Staten een trend over om gestroomlijnde auto's te ontwerpen. Renault past alle modellen aan en de productie van de uit de mode geraakte Reinastella wordt definitief gestaakt. Renault begint steeds meer vliegtuigmotoren te produceren en bereikt hiermee veel succes.

De Tweede Wereldoorlog en de Nationalisatie

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceert Renault machines en gevechtsvoertuigen zowel voor de geallieerden als voor de Duitsers. Louis Renault wordt na de bevrijding van Frankrijk in 1944 gearresteerd op beschuldiging van collaboratie. Kort daarna overlijdt hij in de gevangenis, nog voordat de rechtszaak tegen hem kon beginnen. Renault Frères wordt genationaliseerd en omgedoopt in Régie Nationale des Usines Renault.

De Naoorlogse Periode: Nieuwe Modellen en Innovatie

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de populaire 4CV geïntroduceerd. Renault komt snel boven op de klap van de Tweede Wereldoorlog en onder president-directeur Pierre Lefaucheux worden er allerlei berlines gelanceerd die Renault in binnen- en buitenland populair moeten maken. Naast de berlines experimenteert Renault in de jaren vijftig ook veel met prototypes en nieuwe, exotische modellen.

In 1956 wordt de experimentele sportwagen Etoile Filante in de Verenigde Staten geïntroduceerd en deze breekt in de jaren daarna tweemaal de Amerikaanse snelheidsrecords. Nadat Lefaucheux in 1955 is verongelukt en de avontuurlijke Pierre Dreyfus hem is opgevolgd komen er nog meer experimenten . Zo wordt een serie extreem gestroomlijnde prototypes gelanceerd, zoals de Renault 900 en uiteindelijk ook de Renault Floride, die ook in productie gaat en meerdere filmsterren tot wanhoop drijft (onder wie Brigitte Bardot).

Lees ook: Stijlvolle sleutelcover Kadjar

In de jaren zestig leveren de experimenten uit de jaren vijftig eindelijk vrucht op. Dreyfus introduceert de Renault 16. Met dit nieuwe model, de allereerste hatchback, heeft het concern tevens een wereldprimeur. De vorm, het achterliggende idee en de fabricage wordt geroemd in de internationale autopers, terwijl men in het begin binnen Renault nog niet echt tevreden was over het model. Ook wordt de Renault Alpine gelanceerd, een model sportwagen waarmee Renault weer de sportieve regionen van de industrie opzoekt. Het grootste succes boekt Renault in de jaren 60 met de introductie van de Renault 4.

Renault 9 Turbo

Renault 9 Turbo

In de jaren zestig behoort het Amerikaanse automerk AMC-Rambler ook tot het concern. Veel van de modellen, zoals de Rambler 1966, worden geproduceerd in België. Als blijkt dat dit merk niet de gewenste opening betekent voor de Amerikaanse markt, stoot Renault het weer af. In 1979 wordt Renault weer in de Verenigde Staten actief, nu als eigenaar van de American Motors Corporation (AMC), onder andere verantwoordelijk voor de authentieke Jeeps.

Autosport en Innovatie in de Jaren '70 en '80

In de jaren zeventig introduceert Renault een Formule 1-auto, de RS 01. In 1978 wordt Renault in de 24 uren van Le Mans eerste, met de Renault Alpine A442B. De successen in de autosport worden door Renault ingezet in de personenwagens die ze produceren. Zo past Renault vanaf eind jaren zeventig een populaire turbotechnologie in de motorentechniek voor de personenwagens toe.

In 1984 introduceert Renault twee van de succesvolste modellen uit zijn geschiedenis; in maart de Renault 25 en in mei de Espace (MPV). Beide auto's zijn door Robert Opron ontworpen, en worden door Renault neergezet als luxe ruimtewagens, de Espace in familieverband en de Renault 25 als luxe limousine. Er worden zelfs 832 speciale "Limousine"-edities ontworpen door carrossier Heuliez.

Alhoewel de Renault 25 veel succes heeft gebracht in de jaren tachtig zaten de ontwerpers niet stil en waren ze tijdens introductie in 1984 al bezig met een nieuw model. Patrick le Quément wordt in oktober 1987 bij Renault gehaald om het tot stilstand liggende project nieuw leven in te blazen en op 1 januari 1988 treedt hij aan als hoofd van het ontwerpcentrum.

De opvolger, betiteld met de projectnaam X84, moet niet alleen de 25 opvolgen, maar volgens Raymond Lévy, de bestuursvoorzitter van Renault sinds de dood van Georges Besse mid jaren tachtig, moet de X84 ook het concern een nieuwe impuls schenken. Uiteindelijk wordt het project gelanceerd in 1992 als de Renault Safrane, vlak nadat de Clio (1990) en het tweede model van de Espace (1991) geïntroduceerd werden.

De Jaren '90: Samenwerking en Privatisering

In 1990 meldt Renault in Amsterdam dat een meerjarig samenwerkingscontact is afgesloten met Volvo. Eind jaren negentig verkoopt Renault de divisie Renault Véhicules Industriels aan de Volvo Group (die de naam wijzigt in Renault Trucks). Renault krijgt in ruil hiervoor een aandeel van 20% in het concern.

Van 1992 tot 1997 wint Renault aaneensluitend zes constructeurstitels in de Formule 1 als Williams-Renault en in 1995 als Benetton-Renault. In 1997 constateert men echter bij Renault dat de groei uit de huidige modellen is en dat de personenwagendivisie slechter presteert.

Schweitzer, altijd al een voorstander van een onafhankelijker Renault, weet uiteindelijk in 1993 de Franse overheid over te halen om Renault (gedeeltelijk) los te laten. In 1994 vindt de beursgang plaats op de beurs van Parijs en in 1996 wordt Renault officieel een particulier bedrijf door de aanname van de eerste non-gouvernementele aandeelhouder. Sindsdien is de staat bezig zijn belang in het bedrijf significant te verlagen (in 2005 is het overheidsbelang gedaald tot 15,7%, in vergelijking tot een percentage van 60% in 2000).

In 1999 nam Renault een controlerend belang in het noodlijdende Japanse automerk Nissan. Met een investering van zo’n 5 miljard dollar kreeg het 35% van de aandelen in handen. Hiermee werd een langdurige alliantie tussen de twee autofabrikanten gestart. In datzelfde jaar voegden Renault en het Italiaanse IVECO (onderdeel van Fiat) hun busdivisies samen tot Irisbus. In 2001 verkocht Renault zijn aandelen in Irisbus aan IVECO, waarmee deze de enige eigenaar werd van het busbedrijf.

Renault Vandaag: Een Wereldwijde Speler

Tegenwoordig is Renault een van de grootste automobielfabrikanten in Europa en tevens de marktleider op het continent. In 2014 had het concern 117.395 werknemers. De automerken Dacia en Samsung (RSM) behoren, samen met het hoofdmerk Renault uiteraard, tot de Groupe Renault. Ook RCI Banque (voorheen Renault Crédit International), de grootste financiële dienstverlener in de Europese auto-industrie, is onderdeel van Groupe Renault.

Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw groeit het belang in de styling van de auto's binnen de marketingstrategie van Renault. Designchef Patrick Le Quément zette deze nieuwe strategie medio 2001 in gang met de Renault Avantime, die een stilistisch gedurfde combinatie was tussen een MPV, een coupé en een hatchback. De Avantime werd echter slecht verkocht; de productie ervan werd eind februari 2003 stopgezet. Er waren op dat moment in totaal minder dan 10.000 exemplaren van verkocht. De stopzetting van de productie van de Avantime leidde tot het ontslag van 900 werknemers bij Matra S.A., waar de Avantime werd gebouwd.

Per jaareinde 2014 had de Franse staat een belang van 15,01% in het concern. Nissan heeft een belang van 15%, Daimler een belang van 3% en de werknemers en het bedrijf zelf een belang van 3,4%. Het merendeel van de aandelen (63,5%) is in handen van particuliere aandeelhouders, waardoor Renault sinds 2000 een écht particulier automobielenconcern is geworden.

Renault Scénic

Renault Scénic

In 2014 verkocht Renault in totaal 2,7 miljoen voertuigen. Het aandeel van Renault in de wereldwijde autoverkopen is iets meer dan 3%. De meeste voertuigen worden verkocht in de thuismarkt Frankrijk, waar ruim 0,5 miljoen stuks werden afgezet. Renault heeft in dit land een marktaandeel van 26% en alleen in Algerije en Marokko heeft Renault een hoger marktaandeel. In Europa, inclusief Frankrijk, werden iets meer dan de helft van alle voertuigen verkocht.

De grootste bijdrage aan de omzet levert de verkoop van voertuigen en onderdelen. De financieringsafdeling, RCI Banque, heeft een aandeel in de omzet van zo’n 5%. RCI Banque levert wel een belangrijke en consistente bijdrage aan het resultaat van het concern.

'Autobest' wordt uitgereikt door de leden van de Autobest jury, afkomstig uit 15 landen: Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Cyprus, Macedonië, Hongarije, Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slowakije, Slovenië, Turkije, Oekraïne en Malta.

Renault Mégane RS

Renault Mégane R.S.

Renault Fluence 2009-2014 (in Nederland alleen als Fluence Z.E. Renault was al eigenaar van de motorfietsmerken Gitane en Solex, maar presenteerde op de motorshow in Parijs van 2001 een eigen lijn scooters. Het betrof een 125- en een 250cc-model en een prototype van een overdekte driewielige scooter.

Formula 1

Renault begon in 1976 met de productie van motoren in de fabriek in Viry, voordat het fabrieksteam het jaar daarop in F1 debuteerde met de RS01. De auto was beroemd omdat deze over de allereerste turbomotor in F1 beschikte. Het zorgde er wel voor dat Renault het moeilijk kreeg. De RS01 was erg onbetrouwbaar en coureur Jean-Pierre Jabouille viel uit in de eerste zes Grands Prix waaraan hij deelnam met het Franse team, waardoor zijn auto de bijnaam 'Gele Theepot' kreeg.

Renault was nu goed op dreef met drie overwinningen in 1980 en een vierde plaats in het kampioenschap. Het hoogtepunt was de tweede plaats van Renault, achter Ferrari, in het kampioenschap, terwijl Lotus achtste werd met een podium op Brands Hatch. Het was ook geen geweldig jaar voor het fabrieksteam van Renault, want het eindigde onder Ligier in het kampioenschap te midden van grote financiële problemen bij het bedrijf.

Maar de onderbreking duurde maar twee jaar, want Renault leverde in 1989 de motor aan Williams - met de eerste 3.5 V10-motor met pneumatische kleppen. Renault had in 1992 af en aan F1-motoren geleverd voor een periode van vijftien jaar, maar nog nooit was er een krachtbron die goed genoeg was voor een kampioenschap. Dat veranderde allemaal in 1992 toen Renault de sterkste F1-motor wist af te leveren.

Sir Patrick Head, technisch directeur van Williams in 1992, zei: "Hij was zeker erg goed en sterker dan de Honda die de McLaren aandreef. De Honda was net zo krachtig, zo niet krachtiger, maar hij was immens zwaar, terwijl de Renault veel lichter was dan de motoren die daarna kwamen. Het was de beste racemotor gezien de combinatie van vermogen, gewicht, brandstofverbruik, installatie enzovoort. Dat kampioenschap in 1992 was monumentaal voor Renault, want het begon aan een zes jaar durende periode van dominantie waarin het Franse merk aan elke winnaar van de constructeurstitel leverde.

In 1995 werd de maximale cilinderinhoud bijvoorbeeld teruggebracht tot drie liter, maar Renault overwon dit door de RS7 lichter te maken en het innovatieve fly-by-wire-gasklepsysteem toe te voegen dat de auto betrouwbaarder maakt. Dit resulteerde in een dubbele titel voor Benetton in 1995 te midden van een dominante reeks van Williams, die tussen 1992 en 1997 vijf kampioenschappen wonnen.

Renault verliet F1 aan het einde van dat jaar, maar keerde terug met zijn fabrieksteam dat Benetton in 2000 kocht. Renault tekende zijn eerste klantenteam in dit nieuwe tijdperk in 2007, toen het Franse merk Red Bull ging aandrijven - een samenwerking die tussen 2010 en 2013 vier opeenvolgende dubbele titels opleverde. Dat kampioenschap in 2010 is ook de laatste keer dat een F1-auto met klantenmotor de titel won.

Maar zelfs tijdens de dominante reeks was de relatie verzuurd omdat Renault vond dat het niet genoeg krediet kreeg voor het succes van Red Bull. De verzuring van die samenwerking kwam in een stroomversnelling tijdens het turbo-hybridetijdperk, toen Mercedes-motoren de overhand kregen. De Renault-motoren waren traag en ontzettend onbetrouwbaar. Red Bull-teambaas Christian Horner bestempelde de prestaties van Renault zelfs als "onacceptabel", maar toch hielden beide partijen vast aan de samenwerking, ondanks de vele dreigementen om de samenwerking te beëindigen.

Desondanks sloot McLaren zich in 2018 aan bij Red Bull als constructeur met Renault-motoren, na een giftige periode met Honda. Het team uit Milton Keynes viel uit in tien Grands Prix in 2018, waarvan er zeven werden veroorzaakt door de slechte betrouwbaarheid. Horner verklaarde: "We hebben betaald om eerste klas te vliegen, maar eindigden met een economy ticket". Daarom ging Red Bull voor 2019 in zee met Honda, waardoor McLaren het enige team was dat krachtbronnen van Renault kocht. Dat was ook het jaar dat Renaults fabrieksteam zichzelf omdoopte tot Alpine.

Renault heeft na maanden van speculatie eindelijk bevestigd dat het stopt met de productie van F1-motoren. In het Franse Viry-Châtillon wordt enkel nog gewerkt aan de motor voor het seizoen 2025, maar door het project voor 2026 en verder is een streep gezet. Alpine zal voor dat seizoen dus op zoek moeten naar een andere motorleverancier, iets wat het personeel in Viry - waar aan de Renault-motoren gewerkt wordt - uiteraard niet kan waarderen.

Werknemers van die fabriek lieten bij de Grand Prix van Italië al hun ongenoegen blijken met een protestactie op de tribunes, maar dat mocht dus niet baten. De Renault-motor heeft een rijke geschiedenis in de Formule 1 en was goed voor 12 constructeurskampioenschappen - de op één na meeste in de geschiedenis.

Het team dat er meer heeft veroverd? En als de prestaties er niet zijn, dan is het nog onlogischer voor een bedrijf om enorme bedragen uit te geven aan een eigen krachtbron. In het geval van Renault heeft het eindproduct hen zelfs op achterstand gezet, want Alpine staat op de een na laatste plaats in het kampioenschap van 2024, terwijl de voortgang van de motor voor 2026 stil zou liggen.

Het had dus geen zin om door te gaan met het F1-project gezien wat Alpine hoopt te bereiken op de automarkt, waar het geld nu beter besteed kan worden. Naar verwachting zal het Alpine F1-team vanaf de start van het nieuwe reglement in 2026 een Mercedes-motor gebruiken.

Renault is namelijk al lange tijd in gesprek met de Duitse fabrikant, die op dit moment McLaren, Williams en Aston Martin - die in 2026 overstappen op Honda - en hun fabrieksteam van motoren voorziet. Renault is nu al zes decennia betrokken bij de F1, maar wat zijn enkele van de belangrijkste momenten?

De ONDERGANG van Renault in de Formule 1

Controverse en Erfgoed

Hommeles bij de Franse autobouwer. De nazaten van Louis Renault - zeven kleinkinderen - willen geld zien van de Franse staat. Het is geen geheim dat Louis Renault, de man die in 1898 het automerk met zijn broers oprichtte, tijdens de Tweede Wereldoorlog heulde met de vijand, zoals wel meer Franse industriëlen dat destijds deden.

Tijdens de bezetting van Frankrijk stond Louis dus aan de verkeerde kant en dat kwam hem duur te staan. Na de bevrijding werd Louis in het cachot gemieterd en besloot de Franse overheid het merk te nationaliseren. Louis overleed in 1944 in de gevangenis, zonder een veroordeling.

Nu halen de erven van Renault de kwestie weer aan om genoegdoening te krijgen. Er is een historicus bijgesleept (Henry Rousso) die moet gaan onderzoeken of Renault wel een keuze had. Volgens de erfgenamen van Louis had Renault dat namelijk niet en moest het automerk wel in dienst treden voor Duitsland.

Populaire artikelen:

Plaats een reactie