Rijbewijs Terugkrijgen Na Artikel 42 Procedure in België

Indien je rijbewijs is ingetrokken op basis van artikel 42 van de Belgische Wegverkeerswet, betekent dit dat je rijbewijs door de rechter is ingetrokken als onderdeel van een strafrechtelijke uitspraak. Wanneer je rijbewijs in België is ingetrokken op basis van artikel 42, betekent dit dat er een juridische maatregel is genomen die jouw rijbevoegdheid tijdelijk of permanent beperkt. Om je rijbewijs terug te krijgen, dien je een aantal stappen te volgen.

Stappen om je rijbewijs terug te krijgen:

  1. Duur van de intrekking: De rechter bepaalt de duur van de intrekking van je rijbewijs.
  2. Aanvullende voorwaarden: Soms kan de rechter aanvullende voorwaarden opleggen, zoals het volgen van een rijopleiding of het slagen voor een rijexamen.
  3. Verzoek indienen: Nadat de intrekkingsperiode is verlopen en aan alle voorwaarden is voldaan, dien je een verzoek in om je rijbewijs terug te krijgen.
  4. Administratieve kosten: Er kunnen administratieve kosten of boetes verbonden zijn aan het terugkrijgen van je rijbewijs.
  5. Verwerkingstijd: Het kan enige tijd duren voordat je verzoek is verwerkt en je rijbewijs daadwerkelijk wordt teruggegeven.

Juridische Procedures en Beroep

In België kun je meestal via juridische procedures proberen om de intrekking van je rijbewijs aan te vechten. Het is belangrijk om te weten dat Nederland geen directe bevoegdheid heeft om Belgische beslissingen inzake rijbewijsintrekking te herroepen of te wijzigen.

De Rol van een Advocaat

Een Nederlandse advocaat kan je wel adviseren over je rechten en eventueel helpen bij het vinden van een Belgische advocaat die gespecialiseerd is in verkeersrecht. Samenvattend, als je rijbewijs in België is ingetrokken, moet je je richten op de Belgische juridische procedures voor het herstel ervan.

Rijden onder invloed en verkeersveiligheid

Rijden onder invloed van alcohol is een terugkerend thema in de politiek als het gaat om het verbeteren van de verkeersveiligheid. Naar schatting leidde rijden onder invloed van alcohol in 2015 tot een aantal van 75 tot 140 verkeersdoden. Het terugdringen van het aantal bestuurders dat met alcohol op achter het stuur kruipt vormt een belangrijk onderdeel van het Strategisch plan Verkeersveiligheid 2030. Dat plan introduceert een ‘nulambitie’, een streven om het aantal verkeersslachtoffers per 2030 terug te brengen tot nihil.

Met dit plan wordt getracht maatregelen te initiëren waarmee kan worden ingespeeld op de veranderende omstandigheden in het verkeer, zoals de toegenomen drukte en de introductie van snellere en stillere voertuigen, die zijn voorzien van technische snufjes waaraan we moeten wennen. Tegelijkertijd wordt met het plan geprobeerd in te grijpen in de stagnering van de dalende trend die de afgelopen decennia te zien was in het aantal verkeersdoden. Een onderzoek uit 2019 wijst uit dat het aantal bestuurders dat met een ongeoorloofd alcoholpromillage deelnam aan het verkeer, in weekendnachten fors is toegenomen tot 2,3%, terwijl dat aandeel in 2017 na een lange periode van daling uitkwam op 1,4%.

Lees ook: Nieuw rijbewijs nodig? Lees dit!

Het vorige kabinet heeft daarom ingezet op maatregelen die mogelijk maken dat rijden onder invloed van alcohol steviger en effectiever aangepakt kan worden. Onderdeel daarvan is de (Ontwerp)Wet aanscherping maatregelen rijden onder invloed (hierna: het wetsvoorstel), welk ontwerp al weer enige tijd geleden, op 8 november 2019, ter consultatie is voorgelegd. Dat voorstel vormt een aanvulling op de reeds op 1 januari 2020 in werking getreden Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten, waarbij onder meer het strafmaximum voor rijden onder invloed is verhoogd.

Het wetsvoorstel tot aanscherping van de maatregelen voor rijden onder invloed is bedoeld om notoire verkeersovertreders die geregeld de fout in gaan aan te pakken. Rijden onder invloed van alcohol speelt bij verschillende strafbepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) een rol. In artikel 8 WVW is het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol zelfstandig strafbaar gesteld.

Naast een strafrechtelijk traject biedt de WVW als respons op het rijden onder invloed ook de mogelijkheid een bestuursrechtelijk traject in te zetten. Via het bestuursrecht kan door het CBR - afhankelijk van de rijervaring van de bestuurder, de hoogte van het bij hem gevonden alcoholpromillage en de vraag of sprake is van recidive - een lichte educatieve maatregel (LEMA) of een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) worden opgelegd.

Daarnaast kan de politie, ingeval het vermoeden bestaat dat een bestuurder niet beschikt over de geschiktheid om veilig aan het verkeer deel te nemen, daarvan melding doen bij het CBR. Er kan dan een ‘vorderingenonderzoek alcohol’ worden gestart, waarbij de rijgeschiktheid van de betrokkene wordt beoordeeld aan de hand van psychiatrisch, lichamelijk en bloedonderzoek, met als doel een inschatting te maken van de mate van afhankelijkheid of misbruik van alcohol bij de bestuurder. Tijdens het onderzoek is de geldigheid van het rijbewijs geschorst.

Het wetsvoorstel kondigt naast de in de inleiding genoemde uitbreiding van strafrechtelijke maatregelen ook een wijziging in het bestuursrechtelijke kader aan. Om notoire drankrijders eerder in beeld te krijgen en effectiever met maatregelen tegen hun ongewenste rijgedrag te kunnen ingrijpen, is voorgesteld om het promillage waarbij een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt gestart, voor ervaren bestuurders te verlagen van 1,8‰ of 785 ug/l naar 1,3‰ of 570 ug/l. Daarmee zou die grens gelijk worden aan de grens die reeds geldt voor een beginnend bestuurder - die niet verandert - en het onderscheid tussen beginnende en ervaren bestuurders in zoverre komen te vervallen. Daarnaast zou voor recidivisten, voor wie dezelfde grens gold als voor beginnende bestuurders, de grens worden verlaagd naar 1‰ of 435 ug/l.

Lees ook: Alles over je rijbewijs

De wetgever heeft deze maatregel aangewezen als belangrijk onderdeel van het voorgestelde pakket aan maatregelen. Deze is geënt op de gedachte dat het rijbewijs moet worden gezien als vergunning en dat de bestuurder bij gebleken ongeschiktheid niet meer aan de voorwaarden voor die vergunning voldoet en zijn rijbewijs dan ook kwijtraakt.

Volgens de wetgever is het geschiktheidsonderzoek alcohol een goede manier om te beoordelen of de bestuurder alcoholafhankelijk en daardoor ongeschikt is om de geldigheid van het rijbewijs te doen voortduren. In zoverre zou de keuze om dat onderzoek sneller te kunnen inzetten, begrijpelijk zijn. In maart 2021 kondigde de toenmalig Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de invoering van deze verlaging vooralsnog uit te stellen.

Op dit moment voorziet artikel 123b WVW in een regeling die bepaalt dat het rijbewijs zijn geldigheid verliest zodra de houder daarvan binnen vijf jaar tweemaal veroordeeld wordt wegens een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict, dan wel weigert mee te werken aan een alcoholonderzoek. Vanaf het onherroepelijk worden van die tweede veroordeling verliest het rijbewijs vanzelf en definitief zijn geldigheid voor de resterende duur waarvoor het was afgegeven.

Na evaluatie van de recidiveregeling heeft de wetgever geoordeeld dat deze - ondanks de uitvoering van het door het openbaar ministerie opgestelde verbeterplan - te weinig effectief is gebleken. Dat heeft er om te beginnen mee te maken dat bij 90% van de recidivisten het rijbewijs al op grond van het onderzoek naar de geschiktheid ongeldig wordt verklaard.

De wetgever wil daarom de focus verleggen naar het onderzoek naar de geschiktheid en is dan ook voornemens de zogeheten recidiveregeling te schrappen voor zover deze betrekking heeft op rijden onder invloed. Bij gebleken ongeschiktheid mag de betrokkene een jaar niet rijden en kan hij pas na verloop van die periode en als hij bovendien aantoont weer geschikt te zijn, een nieuw rijbewijs aanvragen.

Lees ook: Rijbewijs Verlengen Losser

Het wetsvoorstel introduceert de bevoegdheid voor de strafrechter om een ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Maakt de strafrechter van deze bevoegdheid gebruik, dan zal de veroordeelde - ongeacht zijn eventuele wens om in hoger beroep te gaan - per direct geen motorrijtuig meer mogen besturen. Deze uitzondering op de hoofdregel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer gelegd mag worden als deze onherroepelijk is geworden, is bedoeld voor gevallen waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf pleegt.

Ook in geval van dadelijke uitvoerbaarheid in de zin van artikel 179 en 179a WVW zal de rechter inzichtelijk moeten maken dat en waarom er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zal recidiveren. Het moet immers gaan om gevallen waarin een ‘gerede kans’ bestaat dat de betrokkene zal recidiveren, waardoor het blijven deelnemen aan het verkeer door de betrokkene leidt tot gevaar voor andere verkeersdeelnemers.

Om te voorkomen dat de dadelijke uitvoerbaarheid van een ontzegging van de rijbevoegdheid breder toepasbaar wordt dan de wetgever beoogd heeft, lijkt het mij aan te bevelen de voorgestelde wettekst aan te vullen. Daarbij kan gedacht worden aan het in de voorgestelde artikelleden toevoegen van het woord ‘soortgelijk’ vóór ‘misdrijf’ of daar een zinsnede achter te voegen waaruit blijkt dat het moet gaan om misdrijven waardoor de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar kan worden gebracht. Daarmee blijft de door de wetgever gewenste mogelijkheid bestaan dat daaronder ook misdrijven kunnen worden gebracht die niet in de WVW opgenomen staan.

Door de rijontzegging dadelijk uitvoerbaar te verklaren wordt als het ware een brug geslagen tussen het moment van de uitspraak en het onherroepelijk worden daarvan. Met de dadelijke uitvoerbaarheid beoogt de wetgever te voorkomen dat de betrokkene tijdens een eventueel hoger beroep of cassatieberoep aan het verkeer kan blijven deelnemen.

De WVW voorziet namelijk in de mogelijkheid een rijbewijs in te vorderen direct na betrapping op rijden onder invloed van een strafbare hoeveelheid alcohol, mits die overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar heeft gebracht. Daarmee voorziet de wet al in een waarborg om te voorkomen dat de betrokkene, hangende de procedure, zijn rijbewijs terugkrijgt.

Waar met de toepassing van de strafbepaling van art. 9 lid 2 WVW 1994 - een misdrijf - getracht wordt op te treden tegen rijden terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard (door het CBR of vanwege de recidiveregeling), loopt een vervolging vaak spaak op de tamelijk hoge eisen die aan het bewijs van dat misdrijf worden gesteld.

Anders dan het geval is bij de strafbaarstelling van het rijden in strijd met een rechtelijke beslissing van de ontzegging van de rijbevoegdheid uit het eerste lid van art. 9 WVW, die bedoeld is ter ondersteuning van het gezag van het rechterlijk gewijsde, is de ratio achter het tweede lid het ondersteunen van het gezag van een bestuursrechtelijke beslissing.

Het rijbewijs is in wezen een vergunning, verleend door een bestuursorgaan, om aan het gemotoriseerde wegverkeer deel te nemen. Aan de ongeldigverklaring van die ‘rijvergunning’ ligt een administratieve beschikking ten grondslag, waarvan de verlening, bekendmaking en tenuitvoerlegging beheerst worden door bestuursrechtelijke uitgangspunten.

Uiteraard moet, wil gesproken kunnen worden van het bestaan van het (objectieve) bestanddeel van art. 9 lid 2 WVW 1994 dat het rijbewijs ongeldig is verklaard, de bestuursrechtelijke procedure die daartoe leidt aan de wettelijke eisen hebben voldaan. En het voor het onderhavige delict bijzondere verschijnsel is nu, dat juist de wijze van de bekendmaking van de bestuursrechtelijke ongeldigverklaring van het rijbewijs repercussies heeft voor het subjectieve bestanddeel van art. 9 lid 2 WVW, het weten of redelijkerwijze moeten weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard.

De minst tot de verbeelding sprekende gronden voor ongeldigverklaring van het rijbewijs zijn opgesomd in art. 124 lid 1 onder a t/m e WVW: het is (a) uitgegeven op grond van door de houder opgegeven onjuiste gegevens, het is (b) abusievelijk afgegeven of (c) de houder doet zelf schriftelijk afstand van zijn rijbevoegdheid. Deze gevallen leiden in verband met art. 9 lid 2 WVW 1994 in de praktijk niet of nauwelijks tot problemen, zo is mijn vermoeden.

Ongeldigverklaring kan namelijk ook indien er kennelijk iets schort aan de rijvaardigheid of rijgeschiktheid van de houder van het rijbewijs, op grond van de art. 130 e.v. WVW. Van een daartoe strekkend vermoeden kan - doorgaans door een opsporingsambtenaar - mededeling worden gedaan aan het CBR (art. 130 WVW). Dat kan leiden tot een verplichting deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (de zgn. EMA of de lichte variant, de LEMA), of - tot 2013 - de deelname aan het alcoholslotprogramma en als laatste de verplichting een onderzoek te ondergaan naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid (art. 131 WVW).

Het door de houder van het rijbewijs niet naleven van de opgelegde verplichtingen - waaronder ook valt de plicht de kosten ervan te voldoen - leidt op grond van art. 132 lid 2 WVW 1994 tot “onverwijlde” ongeldigverklaring van het rijbewijs. Is een nader onderzoek opgelegd naar de rijvaardigheid c.q. rijbekwaamheid en is de uitslag daarvan negatief, dan volgt op grond van art. 134 lid 2 eveneens ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Nadat een rijbewijs ongeldig is verklaard dient de houder ervan dit in te leveren bij de autoriteit die tot ongeldigverklaring is overgegaan. Bij de gevallen bedoeld in art. 132 en 134 WVW 1994 is dat het CBR, zie art. 132 lid 5 en art.

Tijdstip van Kracht Worden van de Ongeldigverklaring

Bijzondere aandacht verdient in deze administratiefrechtelijke regeling het tijdstip van het van kracht worden van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. De (huidige) WVW 1994 bepaalt daaromtrent, in art. 124 lid 3 en art. In art. 134 lid 3 WVW 1994 is dit artikellid van art. 132 van overeenkomstige toepassing verklaard.

De precieze bewoordingen van deze bepaling stammen uit de Vierde Nota van Wijziging, van 11 juni 1993, behorend bij het wetsvoorstel voor de WVW 1994. De oorspronkelijke tekst in het wetsvoorstel - destijds voorkomende in art. 133 lid 4 van het oorspronkelijke voorstel - luidde nog: “De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van dagtekening van het besluit.”

Los daarvan was in lid 3 bepaald: “Onze Minister deelt het besluit schriftelijk en met redenen omkleed mede aan betrokkene alsmede aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties.” Deze laatste bepaling werd ook gewijzigd, bij dezelfde Vierde Nota van Wijziging, in die zin dat daarin ‘aan betrokkene’ verviel, net als de zinsnede dat de beslissing met redenen is omkleed.

De reden voor deze wijzigingen met betrekking tot het van kracht worden van de ongeldigverklaring lag blijkens de toelichting bij die Vierde Nota van wijziging in de inmiddels ingevoerde Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waaraan een groot aantal bepalingen uit het wetsvoorstel moest worden aangepast. Ik citeer uit die Toelichting (p.

“In verband met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht is het noodzakelijk de Wegenverkeerswet 1992, voorzover deze betrekking heeft op onderwerpen, geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, aan te passen aan de systematiek en terminologie van de Algemene wet bestuursrecht. De wijzigingen betreffen vooral bepalingen omtrent de aanduiding van termijnen; deze dienen ter aanpassing aan de systematiek van de Awb te worden aangeduid in weken in plaats van in dagen, alsmede bepalingen omtrent de motivering en manier van mededelen van besluiten aan de justitiabele.

Algemene Regels van Bestuursrecht

De van belang zijnde algemene regels van bestuursrecht die op bekendmaking van besluiten van toepassing zijn te vinden in de Awb, Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen over besluiten, Afdeling 3.6. 1. 2.

De bepaling van art. 3.40 Awb correspondeert met de regeling in de WVW 1994, waar het gaat om het “van kracht” zijn, zoals het daar is genoemd, van de ongeldigverklaring van het rijbewijs, die is gekoppeld aan de bekendmaking. Voorafgaand aan de bekendmaking is er, althans theoretisch, wel een besluit, maar de bekendmaking is een constitutief vereiste voor het naar buiten toe kunnen werken van dat besluit.

Gebreken in de bekendmaking maken het besluit niet per se non-existent of onrechtmatig. Doorgaans heeft een dergelijk gebrek wel gevolgen voor de termijn voor (administratief) beroep of bezwaar in die zin dat die termijn nog niet is ‘gaan lopen’. Het lijkt mij echter, gelet op de rechtsgevolgen van de ongeldigverklaring, dat dit, mutatis mutandis, ook zou moeten worden aangenomen voor het van kracht worden van de ongeldigverklaring van het rijbewijs - waar die gekoppeld is aan een termijn van zeven dagen na de bekendmaking van het besluit zou ik aan willen nemen dat die termijn ook niet loopt indien de bekendmaking niet of niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

In het bestuursrecht geldt echter niet de regel, dat de belanghebbende ook daadwerkelijk op de hoogte moet zijn van het besluit, voordat het in werking treedt. Dat volgt uit art. 3.41 Awb, dat in lid 1 behalve uitreiking ook toezending van het besluit kent. Die wijze van toezending is vormvrij, en behoeft bijvoorbeeld niet aangetekend te geschieden. Daarenboven is er nog lid 2, dat stelt dat indien de bekendmaking niet kan geschieden op de in lid 1 voorziene wijze, de bekendmaking ook op een andere wijze kan geschieden. Daaronder wordt bijvoorbeeld ook publicatie van het besluit in een dag- of weekblad verstaan.

Wel is een uitvloeisel van de eis dat het besluit door het overheidsorgaan moet zijn bekendgemaakt dat de bewijslast dat het besluit inderdaad is bekendgemaakt in eerste instantie rust op dat overheidsorgaan. Voldoende aannemelijk gemaakt moet worden dat het besluit bijvoorbeeld is verzonden. Dat kan vrij gemakkelijk indien die verzending met ‘track and trace’, dus bijvoorbeeld aangetekend via de post de deur uit is gegaan.

Als het gaat om de adressering van het besluit, geldt als hoofdregel dat het (laatst) bekende adres van de betrokkene daarvoor kan worden aangehouden, tenzij het bestuursorgaan ervan op de hoogte is dat dit adres niet juist is. Is op geen van de genoemde wijzen uitreiking of verzending mogelijk dan kan, zo stelt art. 3.41 lid 2 Awb de bekendmaking op andere geschikte wijze geschieden. In het bijzonder kan daaraan worden gedacht indien geen enkel adres van de betrokkene bekend is.

Het stelsel van de art. 3.40 en 3.41 Awb heeft ook consequenties voor de regeling van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Zoals hierboven bleek is voor het in werking treden van het besluit vereist dat het besluit is verzonden. Voor dát specifieke rechtsgevolg is naar ik meen niet vereist dat de betrokkene ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van het besluit. Voldoende is immers een binnen het kader van de AWB passende wijze van verzending. Dat levert het vermoeden op dat de betrokkene van het besluit kennis heeft kunnen nemen en dat is voor de geldigheid van het besluit in beginsel voldoende.

Niettemin zal, en dan kom ik toe aan het strafrechtelijk bewijs van overtreding van art. 9 lid 2 WVW, uit de bewijsmiddelen moeten kunnen worden afgeleid dat het rijbewijs daadwerkelijk ongeldig is verklaard, en dat die ongeldigverklaring op het ten laste gelegde moment van het besturen van het motorrijtuig van kracht was. Voor dat laatste moeten er zeven dagen zijn verlopen na verzending, aldus art. 124 en 132 WVW.

Idealiter bestaat dat bewijs uit een zich in het strafdossier bevindende mededeling van het CBR, gericht aan de rijbewijshouder, waarin het besluit tot ongeldigverklaring is vervat, met daarbij een aantekening waaruit blijkt van de (aangetekende) verzending van dat besluit aan de betrokken rijbewijshouder, en waaruit ook blijkt van de datum van verzending van die mededeling.

Daarin wordt - conform de eisen van de Awb - weliswaar meegedeeld dat en waarom het rijbewijs ongeldig is verklaard, maar de standaardfrase die het CBR vervolgens gebruikt is: “De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit.” Dat is niet in overeenstemming met de wettelijke terminologie, die immers spreekt van zeven dan na de bekendmaking, die geschiedt door de verzending.

Afgezien van het feit dat de betrokkene daardoor op het verkeerde been wordt gezet kan ook de strafrechter hierdoor in dwaling komen te verkeren over het wettelijk juiste tijdstip van inwerkingtreding van de ongeldigheid van het rijbewijs.

04 Strafrecht - rijden onder invloed

Populaire artikelen:

Plaats een reactie