De industrialisering kwam in Den Bosch pas relatief laat op gang. De stad miste de economische dynamiek van plaatsen als Tilburg en Eindhoven, bovendien waren de vestigingsmogelijkheden voor de nieuwe nijverheid in de vestingstad beperkt. Zo moest de bloeiende ijzerfabriek van Grasso vanwege plaatsgebrek uitwijken naar Vught. Den Bosch was hét bestuurlijk centrum van Noord-Brabant; alle provinciale organisaties van enig belang hadden er hun hoofdkantoor.
In het begin van de twintigste eeuw bezat nog niemand in groot-Eindhoven een auto. Elke automobilist vindt het vanzelfsprekend, dat hij ergens in de buurt benzine kan tanken en dat overal in ons land garagebedrijven zijn. Toch dateert deze situatie historisch gezien pas van betrekkelijk recente datum.
📼 Futuristische wagens op de AutoRAI (1985)
De Eerste Automobilisten in Den Bosch
Vier jaar later reed ook in Eindhoven een auto rond. Pas vier jaar later reed ook in Eindhoven een auto rond. De bewoners beperkten er zich hooguit toe de schaarse automobilist die Eindhoven passeerde angstig, of bewonderend en misschien met een tikje jaloezie na te kijken. Alleen voor winkelier G. De wagen was eigendom van de rentenier M.A. van der Velden. De wagen was drie meter lang en anderhalve meter breed en reed op benzine. Dat laatste was lang niet bij alle auto's het geval.
Van der Velden en Aertnijs zullen elkaar zeker hebben gekend. “Mijn vader heeft me dikwijls verteld dat Van der Velden er op zomerse zondagen met zijn voertuig op uit trok, om 's avonds laat terug te keren, getrokken door het paard van een te hulp geroepen Kempische boer”. Hij wist niet waar de wagen 's maandags weer rijvaardig werd gemaakt, maar volgens een andere bron zou dat in de smederij van Van Camp-van Hooff aan de Volderstraat (later deel van de Demer) zijn geweest. Dat bedrijf werd in 1903 overgenomen door J. Ligtvoet, die het voortzette onder de naam J.
Toen Van der Velden in januari 1903 een nieuwe auto aanschafte - die nog 20 cm langer was dan zijn oude - was hij nog steeds de enige Eindhovense automobilist. Daarna kwam er wat schot in de ontwikkelingen, want enkele maanden later kocht ook A.F. Philips een auto. Die was 3,24 m lang en 1,40 m breed. Korte tijd daarna nam de Gestelse sigarenfabrikant J.G.J. Kerssemakers van L.J. Baron van Tuyll van Serooskerke in Heeze diens oude voertuig over en waren er al drie. De wagen van Kerssemakers mat 2,10 m bij 1,35 m. In juli 1904 kocht en in mei 1905 volgde L.
Lees ook: Betrouwbaarheid van Autobedrijf Van Gestel
Echt garagebedrijf bestond er aanvankelijk niet. Als een automobilist problemen had met zijn auto, ging hij meestal naar een rijwielhandelaar waar hij vertrouwen in had. Dikwijls was die tevens grofsmid. Van smid J. Ligtvoet is bekend, dat hij al in 1896 op een Minerva-motor reed. Dat was nog voor zijn komst naar Eindhoven. Automobilisten konden toen bij hem terecht voor benzine en Michelin- en Glincker-autobanden. De stap naar een echte garage was hierna nog maar klein, maar werd door Ligtvoet pas in 1929 gezet. Het bedrijf was toen al tien jaar aan het Stratumseind gevestigd. In 1937 werd de zaak gesplitst. Een van de zoons ging daarna aan het Stratumseind verder met de smederij c.a.
In de hoofdstad zijn er maar twee industriëlen met een auto en dat waren dan ook nog eens fabrikanten van de oude stempel: een koffiebrander en een vervaardiger van militaire uitrusting.
Bekende namen uit die tijd:
- Jhr.mr. L. G.A.W. van Meeuwen
- Godefridus Augustinus Wilhelmus van Lanschot
- A.J.M. Alphonsus Johannes Maria Spierings
- Th.A.J.M. Theodorus Alphonsus Josephus Maria Sweens
- J. Vermoedelijk Johannes Mathilda Daniel Maria de Booij
In juni 1901 koopt Van Lanschot bij de plaatselijke autohandelaar B.A. Jansen een auto van onbekend merk. Hij krijgt het kenteken 412. Het motorvermogen is 4,5 pk, het gewicht 250 kg, geen grote auto dus. Van Lanschot wordt ook meteen lid van de Nederlandsche Automobiel Club, kennelijk was hij een liefhebber. Drie jaar later wordt het voertuig voor een groter exemplaar ingewisseld. Dat gebeurt in maart 1904. Volgens opgave van de CONAM schaft Van Lanschot wederom bij B.A. Jansen een Cottereau aan.
Alfons koopt in juli 1902 bij de plaatselijke autohandelaar B.A. Jansen een voertuig van onbekend merk, dat het kenteken 749 krijgt. Mogelijk was dit een door Jansen zelf vervaardigde vierwielige voiturette, voorzien van een De Dion Bouton-motor. Kennelijk is Alfons er niet zo tevreden over, want enkele maanden later verkoopt hij de auto èn het kenteken aan een andere Bossche autohandelaar, F.F. In maart 1903 koopt Alfons bij diezelfde Schuurmans een andere auto waarvan alleen bekend is dat het voertuig was uitgerust met een 4,5 pk motor. Het krijgt het kenteken 922. Alfons schaft in juni 1903 via importeur Leonard Lang in Amsterdam een spiksplinternieuwe auto aan van Belgische makelij, vermoedelijk een Dechamps. De auto moet uit België komen, bij het retourtransport wordt de oude auto van Alfons meteen meegenomen. Terug naar de fabriek? Of had de importeur voor deze inruilauto een nieuwe Belgische klant gevonden?
In juli 1900 koopt Sweens een 3 pk. De Dion Bouton, de auto, met kenteken 245 haalt een snelheid van 30 km per uur. In 1903 verkoopt hij deze auto aan autohandelaar B.A. Jansen. Hij koopt een nieuwe auto (bij Jansen) en bij de vergunningaanvrage doet hij het verzoek of hij het oude rijksnummer 245 mag behouden. Dat wordt toegestaan. In januari 1904 schaft Sweens opnieuw een andere auto aan van onbekend merk. ook deze behoudt het kenteken 245.
Lees ook: Duik in de Geschiedenis van Autobedrijven
In augustus 1905 schaft hij een tweecilinder Renault type Y aan, kenteken 1950.
Op 20 september 1898 kreeg hij het kenteken 26 toegewezen. Van Meeuwen was de allereerste Brabander die rondreed in een auto voorzien van een rijkskenteken: het was een 2,9 pk Benz. Kennelijk maakte Van Meeuwen niet zo veel gebruik van de auto: nadat in 1906 de provinciale kentekens verplicht zijn gesteld, vraagt hij pas in 1908 een provinciaal nummerbord aan.
In augustus 1905 schaft Van Stokkum een auto aan van onbekend merk, die het rijksnummer 1896 krijgt. Gezien de afmetingen (2,38 x 1,30) is het een kleine wagen.
Midden 1901 koopt De Rooij van de Leidse autohandelaar Dee een 4 pk Georges-Richard. Oorspronkelijk een tweezitter, maar achterop de auto is een derde zitplaats aangebracht. De auto krijgt het rijksnummer 465 en in 1906 krijgt deze auto het provinciale nummer N-346.
In januari 1920 kocht hij twee winkelpanden in de Kerkstraat, nummers 34 en 36. Zij trokken zelf in het huis aan de Kerkstraat 36, waar ze een snoepwinkel begonnen. Johannes' broer August Adrianus Boers werkte lange tijd voor de grossierderij. Hij verhuisde met zijn gezin naar Zuid Koninginnewal 33. Ze bewoonden de eerste verdieping, de begane grond was voor het bedrijf. Kort voor de oorlog verhuisde August Boers naar het Beugelsplein en stierf daar na langdurige ziekte in 1947. Hij heeft na de oorlog geen auto gereden.
Lees ook: Betrouwbaar auto-onderhoud
De eerste auto die Johannes kocht, voor zo ver wij weten, was een T-Ford van het bouwjaar 1913. Wanneer die gekocht en verkocht is? Dat weten we niet, maar de aankoop zou in 1924 geweest kunnen zijn, toen hij zijn eerste kenteken kreeg: N-13408. August heeft tegelijkertijd een nummerbewijs aangevraagd en kreeg het volgende nummer, N-13409. Op de foto is de voorkant duidelijk te zien. [NB Intussen is het het RHCe een beter exemplaar van de foto ontvangen en het kenteken blijkt N-10026 te zijn, niet van Johannes of August Boers, maar van hun jongere broer Egidius Godefridus. Red.]
In mei 1925 wordt staat er voor het eerst een auto ter waarde van 1300 gulden op de balans. Op 1 januari 1926 wordt een oude Ford vermeld, die danechter nog maar 400 gulden waard zou zijn. Bij het uitbreken van de oorlog had Johannes minstens twee auto's, een Ford en een Chevrolet bestelwagen (nieuw aangeschaft in 1939); beide hebben de oorlog ondergedoken overleefd. Op de balans van het bedrijf van 1 mei 1941 staan een Ford bestelwagen f.50,=, een Chevrolet f. 500,=, een motor f.25,= een paard en wagen f. 625,=, totaal f. 1200,=. Een jaar later zijn daar rijwielen en een bakfiets bijgekomen. Een teken van de tijd... De motor was een Ariel. Na de oorlog overleefde die een botsing met een militair voertuig niet.
Direct na de oorlog had mijn oom Jan (Johannes Antonius) van Bokhoven ook een A-Ford, die moest vaak voor zaken naar Amsterdam en wij mochten dan meerijden. Bij Zaltbommel moesten we dan over schipbruggen rijden, omdat de echte bruggen nog herbouwd moesten worden na de oorlog. Op zijn naam was in 1931 kenteken N-30134 uitgegeven. Jan van Bokhoven heeft die auto gehad, dacht ik, totdat hij bij garage Jan van der Meulen aan de Kerkstraat een nieuwe 'Ford-Customline' kocht in 1952 of 1953. In die garage werden ook de auto's van J.J. J.J. Boers wist na de oorlog een Hupmobile te bemachtigen, die van het Britse of Amerikaanse leger was geweest. Die heeft hij vermoedelijk gehad tot 1950 of 1951. Er is geen foto of kenteken van bekend. Die wagen is verkocht aan ene heer Hendricx, die ooit voor J.J.
Uit een factuur weten we, dat het bedrijf in 1948 een Diamond T "Boston" kocht. Het lijkt er al met al op, dat de niet alle kentekens van J.J. Boers en de grossierderij op zijn naam stonden.
De Opkomst van Lokale Autohandelaren
Franciscus Frederik Schuurmans (Middelburg 1877-) was oorspronkelijk in Tilburg werkzaam als smid. Rond 1900 vestigt hij zich in Den Bosch en - zoals zoveel smeden - raakt hij geïnteresseerd in dat nieuwe verschijnsel: het motorrijtuig. Volgens het register van de rijkskentekens vraagt hij in 1902 een algemene vergunning aan voor de vier auto’s die hij op dat moment in voorraad heeft. Zodra een auto verkocht wordt, moet de nieuwe eigenaar zelf een eigen kenteken aanvragen. Waarschijnlijk kocht Schuurmans tweedehands auto’s, knapte hij de carrosserie op om ze vervolgens door te verkopen.
Eind 1902 neemt Schuurmans de auto van stadsgenoot Spierings over. Vermoedelijk is het een door de Bossche autohandelaar Jansen vervaardigde vierwieler met een De Dion Bouton motor. Als smid zal Schuurmans geïnteresseerd geweest zijn in de (eenvoudige) constructie. Schuurmans had ook andere auto’s in voorraad. Deze foto toont hem voor het station in Breda in een Mors uit 1899, waarvan de voorkant danig is verbouwd. Ook de vering is afwijkend gemaakt.
Een derde auto (van onbekend merk) wordt in 1903 aan Spierings verkocht, in datzelfde jaar verkoopt Schuurmans ook een de Dion Bouton door aan de Tilburgse autohandelaar Van der Aa. Korte tijd later stopt Schuurmans zijn activiteiten als autohandelaar.
Bernardus Antonius Jansen (Den Bosch 1861-1932) opent in 1881 als 20-jarige zijn "Magazijn van Vélocipèden" in het centrum van Den Bosch. Hij importeert fietsen uit Engeland, maar assembleert ook rijwielen onder het eigen merk Hecla. In 1898 koopt hij in Frankrijk voor eigen gebruik een gemotoriseerde fiets van het merk De Dion Bouton en is daar zo enthousiast over dat hij ze gaat kopiëren. Hij vervaardigt zelf de frames en plaatst daar de Franse motor in.
In 1899 gaat de Franse fabriek ook automobielen vervaardigen en met succes: een jaar later was het de grootste autoproducent in de wereld : er werden toen 400 auto’s vervaardigd. In augustus 1900 koopt Jansen direct van de fabriek een vierwielige 3 pk De Dion Bouton. Het verhaal gaat dat hij en en zijn vrouw op de terugweg naar Nederland regelmatig uit moesten stappen om de trage Dion tegen de hellingen omhoog te duwen.
Op 26 januari 1902 schaft Bernard zich in Frankrijk een spiksplinternieuwe De Dion Bouton aan, model Vis-à-Vis met een motorvermogen van 4,5 pk. Het toegekende rijksnummer is ook voor deze auto 237. Een onverwoestbaar exemplaar, zijn zoon Theo rijdt er dertig jaar later nog mee rond. Vermoedelijk uit promotionele overwegingen: een dergelijke oldtimer zal ook toen zeker de aandacht hebben getrokken. De auto draagt dan het provinciale kenteken N-84. Er is een filmfragment waarin deze Dion Bouton rijdend te zien, aan het stuur zoon Theo en diens vrouw.
Voor een autohandelaar was het natuurlijk lastig om voor elke nieuw geïmporteerde auto een apart kenteken aan te vragen, vandaar dat Bernard in 1902 een algemene vergunning aanvraagt. Hij maakt immers proeftochten 'over soms groote afstanden om de goede eigenschappen te tonen' aan klanten, waarbij hij 'alsdan de rijkswegen niet kan vermijden'. Vanaf dat moment zal hij dus meerdere auto’s in voorraad hebben gehad, allemaal met rijksnummer 237.
Johannes Petrus van der Bruggen (Den Bosch 1878-1955) was de zoon van een architect en studeerde aanvankelijk bouwkunde. Door zijn liefhebberij voor de wielersport begon hij een rijwielzaak. Dat lijkt een wat merkwaardige wending voor iemand van zijn statuur, maar tot zijn clientèle behoorden de meer aanzienlijken in Den Bosch, zoals Van Rijckevorsel en Van Zinnicq Bergman. Vanaf 1902 noemt Van der Bruggen zich ook autohandelaar.
Kennelijk met veel succes, want in 1909 koopt hij een groot pand aan de Havensingel en vestigt daar zijn ‘Automobielgarage J.P. van der Bruggen’. In maart 1902 koopt Van der Bruggen bij zijn collega-autohandelaar Ankel in Arnhem een 5 pk. Vincke met Benz-motor. Ankel is op dat moment de officiële importeur van dat eerste Belgische automerk. Waarschijnlijk was de auto niet bedoeld voor eigen gebruik, maar bestemd voor de verkoop: Van der Bruggen vraagt namelijk een algemene vergunning aan. Hij krijgt nummer 588 toegewezen dat hij voor meerdere auto’s mag gebruiken; zijn autobedrijf gaat van start.
Over de achtergronden van Leonardus Johannes van Stokkum (Den Bosch 1873-?) is niet veel bekend. Hij had een fietsenzaak in het centrum van Den Bosch die hij in advertenties aanprees als ‘de goedkope Rijwielhandel’, mogelijk als tegenhanger van de veel chiquere winkel van stadsgenoot Van der Bruggen. In 1905 begint hij met de verkoop van automobielen.
Volgens het adresboek van Den Bosch uit 1897 woont hij dan in de Hinthamerstraat en is werkzaam als horlogemaker en als handelaar in vélocipèdes. In de daarop volgende jaren richt hij zich volledig op de rijwielhandel, vanaf 1906 echter combineert hij die negotie met de verkoop van automobielen.
Michiel Willem Lucius Josephus Aertnijs was in 1863 in Eindhoven geboren als zoon van een 'genees- en verloskundige', een huisarts dus. Toen hij in 1887 de stad verliet, had hij al een korte, maar roemrijke carrière achter de rug als wielrenner van de Eindhovense vereniging 'De Snelheid', de eerste Noord-Brabantse wielerclub.3 Landelijk werd hij vooral bekend als automobilist. Hij was in Nederland de derde die een auto bezat en vermoedelijk de eerste die er in ging handelen. De twee eerdere autobezitters hadden hun voertuig vanuit het buitenland laten opsturen. Michiel Aertnijs deed dat niet.
Josephus Jacobus Bogaers (Tilburg 1869- Antwerpen 1930), fabrikant in wollen stoffen, was de allereerste Nederlander met een auto. Lang voordat er rijksnummerborden werden ingevoerd, importeerde hij een heuse auto-mobile.
Vanaf 1899 is in advertenties te lezen dat hij ook motorrijtuigen verkoopt; vanaf 1.400 gulden, hij richt zich dus op de onderkant van de markt. Hij verkoopt inderdaad enkele auto’s (o.a. aan De Pauw Gerlings in Breda en aan autohandelaar Ankel in Arnhem), maar kennelijk is het niet voldoende, want in 1901 wordt zijn complete fabrieksvoorraad bij opbod verkocht. In 1903 schiet zijn broer Adriaan te hulp, hij koopt niet alleen de Benz van Frans maar ook nog andere auto’s met het doel de firma Van der Aa voort te zetten.
Deze doorstart mag niet baten, want in 1904 slaat het noodlot wederom toe: er breekt brand uit in de rijwielfabriek. Door de aanwezigheid ‘van vele brandbare stoffen’ is het vuur niet te blussen: het gebouw stort in, wat rest is een rokende puinhoop. Waarschijnlijk was dit de nekslag voor de onderneming, er zijn nadien geen verdere activiteiten van het autobedrijf bekend.
In 1903 koopt broer Adriaan een grote auto (4,00x2,00) van onbekend merk en vraagt een vergunning aan voor meerdere auto’s. Hij krijgt het kenteken 1119. Tot zijn wagenpark behoren dan onder mee: de Benz van zijn broer, een Cottereau gekocht van Valckenaer in Teteringen (nummer 62) en een De Dion Bouton gekocht van F. F. Schuurmans, een Bossche handelaar in automobielen.
Eugenius Henricus Wilhelmus Antonius Lommen (Tilburg 1879-USA 1922) was zoon van een verffabrikant die leverde aan de plaatselijke textielindustrie. Eugenius was zelf ook enige jaren actief in die branche, tussen 1898 en 1905 trad hij op als commissionair in verfstoffen. Lommen koopt eind 1902 een auto van de Arnhemse autohandelaar Bosman. Deze krijgt in 1903 het kenteken 874. Volgens het archief van de Eerste Tilburgsche Automobielen Garage M.J. de Groot & Zoon ging het om een Vincke.
In 1903 koopt Lommen een tweede auto, het is een 4,5 pk Darracq. Deze krijgt het kenteken 378. De leverancier is de Tilburgse autohandelaar Adriaan van der Aa. In 1906 vertrekt Eugenius naar Arnhem, waarschijnlijk neemt hij deze auto mee.
Petrus Johannes Martinus van Eijck (Tilburg 1875-), werkzaam als juwelier en goudsmid in de Heuvelstraat in Tilburg. In 1904 koopt Petrus een auto, vermoedelijk de één jaar oude 6,5 pk Darracq van dhr. Van Erp, directeur van de kort daarvoor failliet verklaarde fabriek in gasapparaten in Den Haag. Het voertuig krijgt het kenteken 954. Het rijplezier is van korte duur, binnen een jaar wordt de auto inclusief het kenteken door verkocht aan Dobbelaere in Best.
Martinus van Osch (Sint Michielsgestel 1868-Tilburg 1939) was van oorsprong koperslager. Hij richt zich al snel op de verkoop, reparatie en vervaardiging van rijwielen. In later jaren verkoopt hij - naast fietsen - ook auto’s en motoren. Hij voert zijn eigen merk M.v.O. Marinus vraagt in juli 1900 samen met A. Dusée van wie voor het overige niets bekend is, een rijkskenteken aan. Dat wordt hem in april 1901 toegekend: nummer 336. Ze hebben een Bollée, een auto van Franse herkomst waarvan er maar een paar in Nederland hebben rondgereden.
In onderstaande tabel een overzicht van de genoemde autohandelaren en hun activiteiten:
| Naam Autohandelaar | Plaats | Activiteiten |
|---|---|---|
| B.A. Jansen | Den Bosch | Import, assemblage en verkoop van fietsen en auto's |
| F.F. Schuurmans | Den Bosch | Handel in tweedehands auto's, reparatie en verkoop |
| J.P. van der Bruggen | Den Bosch | Rijwielzaak, autohandel en automobielgarage |
| L.J. van Stokkum | Den Bosch | Fietsenzaak en verkoop van automobielen |
| M.W. Aertnijs | Eindhoven | Automobiel-Import-Maatschappij |
| A. van der Aa | Tilburg | Verkoop van motorrijtuigen |
| M. van Osch | Tilburg | Verkoop, reparatie en vervaardiging van rijwielen, auto's en motoren |
Deze tabel geeft een beknopt overzicht van enkele belangrijke autohandelaren in de regio en hun respectievelijke activiteiten aan het begin van de 20e eeuw.
Kaart van Noord-Brabant met de ligging van Den Bosch, Eindhoven en Tilburg
