Een blokkade op het rijbewijs kan ingrijpende gevolgen hebben voor de mobiliteit en het dagelijks leven van een persoon. Het is daarom van groot belang om de oorzaken, procedures en rechten rondom een dergelijke blokkade goed te begrijpen. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste aspecten.
Onderzoek naar Rijgeschiktheid
Bij een onderzoek in het kader van rijgeschiktheidskeuringen is het CBR de opdrachtgever; de betrokken te keuren persoon, is uitdrukkelijk niet de opdrachtgever.
Op een onderzoek naar de rijgeschiktheid zijn diverse wetten en regels van toepassing. Deze stellen eisen aan de wijze waarop de psychiater het onderzoek moet verrichten en de wijze waarop hij daarover dient te rapporteren aan het CBR.
Het onderzoek dient op grond van de WGBO beperkt te zijn tot het vinden van antwoorden van vragen die relevant zijn voor het doel van het onderzoek. Van de onafhankelijk psychiater wordt niet verwacht dat hij uit eigen beweging meer informatie verschaft aan het CBR dan waarom is gevraagd.
Als gevolg daarvan is er bij dit type onderzoek geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) tussen de betrokkene en de keurend specialist (hierna ook wel: onafhankelijk psychiater). Niettemin gelden de meeste in de WGBO neergelegde rechten van de patiënt ook voor de onafhankelijk psychiater jegens de betrokkene.
Lees ook: Nieuw rijbewijs nodig? Lees dit!
Het onderzoek wordt gezien als een geneeskundige handeling. Dergelijke handelingen mogen slechts worden uitgevoerd op basis van geïnformeerde toestemming (‘informed consent’) van de betrokkene, behoudens noodsituaties of gevallen waarin sprake is van een wettelijke uitzondering.
Ter verkrijging van geïnformeerde toestemming moet de onafhankelijk psychiater de betrokkene heldere informatie verstrekken over de wijze waarop het onderzoek zal plaatsvinden, het doel van het onderzoek, aan wie er wordt gerapporteerd en de rechten van de betrokkene. Het is toegestaan dat de psychiater deze informatie vooraf, bijvoorbeeld in de vorm van een folder of brief, aan de betrokkene toestuurt. De psychiater vraagt in dat geval, voordat hij met het onderzoek begint, of betrokkene de informatie heeft ontvangen en of deze duidelijk was.
Rechten en Plichten van Betrokkene
Ook al is er bij een onderzoek naar rijgeschiktheid in feite geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij een behandelcontact tussen arts en patiënt, toch is de WGBO (via de schakelbepaling in art. 7:464 Burgerlijk Wetboek (BW)) ook op het onderzoek van toepassing. Dit geldt alleen niet voor die WGBO-bepalingen die zich niet verdragen met de onderzoekssituatie. Een voorbeeld daarvan is de geheimhoudingsbepaling (art. 7:457 BW).
De psychiater moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners - in het bijzonder voor psychiaters - geldende professionele standaard. Dit betekent dat de richtlijnen en gedragsregels die de beroepsgroep zelf heeft opgesteld van belang zijn voor mogelijke toetsing van de wijze waarop het onderzoek naar rijgeschiktheid heeft plaatsgevonden.
De algemene bewaartermijn van patiëntengegevens is volgens art. 7:454 lid 3 BW vanaf 1 januari 2020 twintig jaar. Ten aanzien van onderzoek naar rijgeschiktheid wordt in art. 7:464 lid 2 onder a BW (de schakelbepaling) gesproken over ‘bewaring zolang dat noodzakelijk is voor het doel van het keuringsonderzoek’ (dat wil zeggen: onderzoeken naar de geschiktheid).
Lees ook: Alles over je rijbewijs
Indien de psychiater van mening is dat informatie van behandelaars cruciaal is of kan helpen bij het uitvoeren van het onderzoek en daarna het opstellen van een goed onderzoeksverslag dan moet de psychiater de betrokkene (schriftelijk) toestemming vragen om informatie op te vragen bij de behandelaars. Alleen als de betrokkene daartoe toestemming verleent kan de psychiater gerichte vragen stellen aan de behandelaars. De psychiater maakt in zijn rapport dan melding van het opvragen van informatie en hoe hij deze informatie waardeert.
Betrokkene kan een beroep doen op (in de wet vastgelegde ongeclausuleerde) inzage in het onderzoeksverslag (vergl. 7:456 BW). Ook kan hij om een kopie vragen van zijn dossier (art. 7:456 BW). Bij inzage en afschrift geldt slechts één beperking. Deze kan aan de orde zijn als door het geven van inzage in of een afschrift van bepaalde delen van het dossier de privacy van een ander wordt geschonden.
Via het inzagerecht (op grond van WGBO/AVG) wordt betrokkene in staat gesteld onjuistheden van feitelijke aard in het rapport aan te geven, en deze onder de aandacht te brengen van de psychiater door middel van een verwijzing in de oorspronkelijke tekst naar de correctie(s), die tot dat doel in een bijlage bij het rapport worden opgenomen.
Het correctierecht houdt niet in dat wijzigingen in de beoordeling kunnen worden aangebracht, omdat betrokkene het niet eens is met een onderdeel van het rapport of omdat hij een passage niet relevant vindt. Voor de inhoud van de specialistische rapportage is de onafhankelijk psychiater verantwoordelijk; hij moet zich daarvoor ook bij de (tucht)rechter kunnen verantwoorden. Het recht op correctie heeft dus geen betrekking op het professionele oordeel en de conclusies die in het rapport zijn vervat.
Betrokkene kan ook gebruik maken van het blokkeringsrecht (art. 7:464 lid 2 BW). Aldus de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) nadat het CBR had besloten dat een betrokkene dit recht niet toekomt.
Lees ook: Rijbewijs Verlengen Losser
Het blokkeringsrecht houdt in dat betrokkene het recht heeft te beslissen dat hij als eerste kennis wil nemen van de inhoud van het gehele rapport of een deel daarvan en, in het verlengde daarvan, kan besluiten dat het rapport niet ter kennis wordt gebracht aan de opdrachtgever.
Met betrokkene kan niet afgesproken worden dat hij op voorhand, dus voordat het onderzoek naar rijgeschiktheid plaatsvindt, afstand doet van zijn inzage- en blokkeringsrecht. Betrokkene kan wel tijdens of na het onderzoek aangeven van inzage en/of blokkering te willen afzien. De psychiater legt dat schriftelijk en gedateerd vast. Het verdient aanbeveling de betrokkene daarvoor te laten tekenen, maar dat is geen eis.
Maakt betrokkene gebruik van het blokkeringsrecht, dan mag de psychiater het rapport aan niemand toezenden. De psychiater meldt dan aan het CBR dat hij vanwege gebruikmaking van het blokkeringsrecht door betrokkene (of omdat hij bepaalde relevante - uiteraard niet nader te noemen - gegevens niet mocht gebruiken) geen rapportage kan uitbrengen. Het CBR kan zich dan geen oordeel vormen over de geschiktheid van betrokkene.
Conform het Reglement Rijbewijzen is bepaald dat na gebruikmaking van het blokkeringsrecht door betrokkene, gedurende een jaar na de datum van het onderzoek naar rijgeschiktheid geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt geregistreerd. Hiermee wordt voorkomen dat het blokkeringsrecht wordt gebruikt door de betrokkene om telkens opnieuw de procedure te starten door een gezondheidsverklaring in te dienen net zolang tot er sprake is van een voor de betrokkene gunstig rapport.
Weigering tot Medewerking
Weigeren aan een onderzoek mee te werken zal veelal voorafgaand aan het bezoeken van de psychiater gebeuren. Betrokkenen kunnen voorafgaand (in de mededelingenprocedure) weigeren de kosten voor het onderzoek te betalen. Zij worden dan niet verwezen naar een psychiater en hun rijbewijs zal ongeldig worden verklaard in verband met niet meewerken.
Het gebeurt ook wel dat deze groep betrokkenen wel betaalt, maar uiteindelijk niet op komt dagen zonder geldige reden. Ook in die gevallen gaat het CBR over tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens niet meewerken.
Ook komt het voor dat een betrokkene ten tijde van het onderzoek zo weinig input levert of zo’n onwillige houding toont, of niet meewerkt aan een of meer onderdelen van het onderzoek, dat het onderzoek voor de psychiater niet voldoende informatie oplevert om een deugdelijk rapport op te stellen.
Ook in deze gevallen kan de psychiater, mits goed gemotiveerd, aan het CBR doorgegeven dat hij niet tot een deugdelijk rapport heeft kunnen komen wegens onvoldoende medewerking van betrokkene.
Tot slot kan sprake zijn van niet meewerken aan het labonderzoek.
Procedure na Afronding Onderzoek
Op het moment dat de psychiater de rapportage afrondt en aan het CBR stuurt, is zijn taak beëindigd. Het CBR neemt vervolgens het besluit of betrokkene zijn rijbewijs krijgt of behoudt.
De werkgroep adviseert de psychiater de onderzoeksgegevens - voor zover al niet opgenomen in de rapportage - te bewaren tot de beslissing van het CBR op basis van de onderzoeksrapportage onherroepelijk is geworden, dus tot het moment van afronding van de procedure van betrokkene bij het CBR, inclusief eventueel bezwaar en beroep. Die gegevens kunnen van belang zijn voor het geval de betrokkene de psychiater later alsnog ter verantwoording roept voor zijn handelswijze.
Indien het CBR de psychiater later verzoekt het rapport aan te passen omdat gebleken is dat er kleine en uitsluitend feitelijke onjuistheden in het rapport staan, zonder dat dit consequenties heeft voor de onderzoeksuitslag, hoeft de psychiater betrokkene niet wederom te wijzen op zijn rechten; wel dient de psychiater de betrokkene te wijzen op de omstandigheid dat er aanpassingen zijn gemaakt.
Rijbewijs ingevorderd bezwaarschrift indienen: Advocaat legt uit
Een onafhankelijk psychiater handelt dan het meest zorgvuldig om de betrokkene te laten weten dat het rapport is aangepast en welke wijzigingen zijn aangebracht.
Identificatie en Administratie
Voor aanvang van het onderzoek stelt de psychiater de identiteit en het Burgerservicenummer (BSN) van de betrokkene vast, en legt dat vast in zijn administratie. Hetzelfde geldt bij laboratoriumonderzoek bij bloedafname of urineonderzoek op verzoek van psychiater.
Geldige identiteitsbewijzen zijn bijvoorbeeld een paspoort, identiteitskaart of rijbewijs. Ook de instelling - bijvoorbeeld het laboratorium - is verplicht de identiteit en BSN van de betrokkene te controleren en vast te leggen. Dat hoeft overigens alleen de eerste keer te gebeuren.
