De Geschiedenis van Autobedrijf Van Eis: Van Fraude tot Zakelijke Beslissingen

De geschiedenis van autobedrijf Van Eis is er een van ups en downs, gekenmerkt door zowel zakelijk succes als juridische uitdagingen. Van beschuldigingen van fraude tot controversiële zakelijke beslissingen, het bedrijf heeft een turbulente reis doorgemaakt.

In de zomer van 2008 werd Andries van der V., afkomstig uit Drogeham (voorheen Surhuisterveen), veroordeeld tot 30 maanden cel, waarvan 10 voorwaardelijk, wegens grootschalige fraude met leasecontracten en leaseauto's. Hij werd ook schuldig bevonden aan het witwassen van crimineel geld. Destijds zou hij nauwe banden hebben gehad met 'zware jongens', die hij via leaseconstructies aan goedkope of zelfs gratis auto's hielp. De banden met criminelen zijn er niet meer, maar even zo goed zou de 40-jarige Van der V. opnieuw de fout in zijn gegaan.

Op 5 juli werd hij opgepakt omdat hij ditmaal dure lease- en importauto's - tweemaal een BMW X5, een BMW X6 en twee Mercedessen - verduisterd zou hebben. Van der V. zou dezelfde BMW X6 aan twee personen verkocht hebben. Een auto waarop door een koper al een aanbetaling was gedaan, zou hij aan iemand anders hebben doorverkocht. Ook zou Van der V. een leasemaatschappij hebben opgelicht. Op naam van twee kennissen zou hij twee BMW's hebben geleased. De betalingstermijnen werden vervolgens niet voldaan.

De verdachte ontkent. Hij vindt dat de politie het op hem heeft voorzien. 'Alle handel is eerlijke handel. Ik heb alle schijn tegen. Ik ben net opgejaagd wild', zei hij. Zelf vindt hij dat hij teveel hooi op de vork heeft genomen en teveel transacties is aangegaan. De officier van justitie eiste twee jaar cel. Zij vindt ook dat Van der V. de 10 maanden voorwaardelijk die hij in 2008 kreeg alsnog uit moet zitten. Drie gedupeerden vorderen meer dan 40.000 euro. De rechtbank doet over twee weken uitspraak.

Naast de strafrechtelijke problemen heeft het bedrijf ook te maken gehad met klachten over de behandeling van voertuigen door de politie. Een zaak betrof een Oldsmobile Omega Brougham die door verzoekers naar autobedrijf B. te Almere was gebracht met het oog op verkoop. Het kenteken van de auto was geschorst van 15 juni 2000 tot 15 juni 2001.

Lees ook: Duik in de Geschiedenis van Autobedrijven

Op 26 februari 2001 constateerden ambtenaren van het regionale politiekorps Flevoland dat de auto al geruime tijd op de openbare weg stond en dat de auto als een wrak was aan te merken. De auto is vervolgens in opdracht van de politie door een takelbedrijf vervoerd naar een opslagruimte van de gemeente Almere. Toen de gemeente aangaf niet langer ruimte te hebben voor de auto, heeft politieambtenaar M2 op 6 augustus 2001 aan de gemeente laten weten dat de auto kon worden verwijderd. De gemeente heeft de auto aan een sloper verkocht.

Verzoekers klagen er met name over dat:

  • een met naam genoemde politieambtenaar niet op een afspraak verscheen en hierna steeds niet was te bereiken;
  • een met naam genoemde politieambtenaar tijdens enkele telefoongesprekken onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de gang van zaken;
  • zij niet of onvoldoende zijn geïnformeerd over het voornemen tot vernietiging van hun auto.
Ten slotte klagen verzoekers erover dat het regionale politiekorps Flevoland de schade die zij hebben geleden door de vernietiging van hun auto niet wil vergoeden.

De Nationale ombudsman concludeerde dat het weghalen van de auto niet behoorlijk was. Er was geen overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) vastgesteld, noch was er een noodzaak tot verwijdering in verband met de veiligheid op de weg of de vrijheid van het verkeer. Ook was er geen sprake van uitoefening van bestuursdwang, aangezien de politie niet namens het college van burgemeester en wethouders handelde en de voorgeschreven procedure niet was gevolgd.

Daarnaast oordeelde de Nationale ombudsman dat het laten vernietigen van de auto niet behoorlijk was. De politie was niet bevoegd om de auto te laten vernietigen, aangezien zij niet namens de burgemeester handelde. Ook waren de voorschriften van artikel 5:30 Awb inzake verkoop, overdracht en vernietiging van opgeslagen zaken niet in acht genomen.

Wat betreft het onvoldoende geïnformeerd zijn omtrent het wegslepen en laten vernietigen, concludeerde de Nationale ombudsman dat de politie tekort was geschoten in haar plicht tot actieve informatieverstrekking. De afspraak met politieambtenaar M2 was geen doorgang gevonden, en de telefoongesprekken die hierop volgden verliepen niet naar wens. Verzoekers hadden niet de informatie kunnen verkrijgen die zij wilden inwinnen.

Lees ook: Betrouwbaar auto-onderhoud

De geschiedenis van Autobedrijf Van Eis is een complex verhaal van juridische strijd en zakelijke beslissingen. De beschuldigingen van fraude en de klachten over de behandeling van voertuigen door de politie hebben geleid tot een turbulente periode voor het bedrijf.

Het is belangrijk op te merken dat de bevindingen van de Nationale ombudsman betrekking hebben op een specifieke zaak en niet noodzakelijkerwijs van toepassing zijn op alle activiteiten van het bedrijf. Niettemin bieden de bevindingen wel inzicht in de problemen waarmee Autobedrijf Van Eis in het verleden te maken heeft gehad.

De gebeurtenissen rond Autobedrijf Van Eis roepen vragen op over de verantwoordelijkheid van bedrijven en de rol van de politie bij de handhaving van de wet. Het is van belang dat bedrijven transparant en eerlijk handelen, en dat de politie haar taken op een behoorlijke en rechtmatige wijze uitvoert.

Het is aan de rechtbank om te oordelen over de beschuldigingen van fraude tegen Andries van der V. en Autobedrijf Van Eis. Het is ook aan het bedrijf zelf om te leren van de fouten uit het verleden en te werken aan een betere toekomst.

Dit gaat er veranderen rond de bijtelling op zakelijke auto’s - Wegwijs #3

Henri Jean Paul Boon wordt 19 maart 1890 geboren in Fos sur Mer aan de Franse Rivièra. De familie Boon verhuist in 1902 van Frankrijk naar IJmuiden waar zijn vader, die in de Camargue nog wijnboer is, een transportbedrijf begint en stalhouder wordt. Dat zijn vader het transport met paarden doet, weerhoudt zoon Henri er niet van in Amsterdam naar de chauffeursschool te gaan. Daar leert hij ook over de autotechniek en solliciteert daarom naar een baantje als chauffeur.

Lees ook: Overzicht Autoservice Den Blanken

Die baan vindt hij bij jonkheer De Kuijper in Stratum (sinds 1920 een stadsdeel van Eindhoven). Omstreeks 1911 vertrekt de jonkheer naar Brussel en Henri Boon gaat met hem mee. Daar in Brussel chauffeert hij niet alleen de jonkheer, maar werkt hij ook in een garagebedrijf en breidt zo zijn auto technische kennis en vaardigheden verder uit. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Boon opgeroepen om in dienst te gaan, waar hij volgens de overlevering tientallen wagens draaiende houdt. Boons Bezems Bennne Beter

Na zijn dienstjaren keert Boon terug naar de regio Eindhoven en begint in 1917 een bezemfabriek in Heeze. Het bedrijf wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als H.J. Boon Borstelfabriek. Zijn derde voornaam, Paul, laat hij hierbij weg en dat zal hij daarna veel vaker doen. Mogelijk vindt hij het geen mooie naam, maar daar zal niet iedereen het mee eens zijn. Een bezemfabriek lijkt op het eerste gezicht een onschuldige bezigheid, maar ‘door de vele brandstoffen die voor de fabricatie worden gebezigd, stond weldra het gehele gebouw in lichterlaaie en brandde de fabriek tot de grond toe af’, meldt een krant in 1921 na de tweede brand in korte tijd. De eerste fik was twee jaar daarvoor. Veel meer is over die bezemfabriek niet meer terug te vinden. Ze zijn blijkbaar niet als Boons Bezems op de markt gebracht, laat staan dat ze vermarkt zijn met een slogan als Boons Bezems Benne Beter. Na beide branden wordt de schade overigens door de verzekering gedekt.

Toch valt er ook gewóón geld te verdienen met die bezemmakerij, want in 1924 koopt Boon eveneens in Heeze een voormalige fabriek van de Nederlandse Textiel Maatschappij. Daar, bij het treinstation Heeze-Leende, vestigt hij dan zijn bedrijf. Boons bezems en borstels worden blijkbaar ook zelf ter hand genomen. Een factuur van Boon voor Publieke Werken van de gemeente Roermond uit 1927 vermeldt namelijk: ‘Reiniging en besproeiing van straten en pleinen’. Drie jaar later wordt Boons Borstelfabriek opgeheven, want Henri is inmiddels met iets geheel anders bezig. Boons Brockway Bussen

Henri Boon is in de jaren na de Eerste Wereldoorlog niet alleen bezig met bezems, borstels en stadsreiniging. Ook de ervaring opgedaan bij de chauffeursschool in Amsterdam en de sleuteltechniek in Brussel wendt hij aan. Bij de aankoop van de oude textielfabriek in Heeze wordt melding gemaakt van een daar gevestigd autobedrijf. Sinds 1923 drijft Boon al een handel in vrachtauto’s en motoren en heeft hij mogelijk iets met autobussen.

Eind 1925 heeft hij immers al zes (provinciale) kentekens op zijn naam staan en begin 1927 neemt hij zitting in een comité van autobusondernemers dat protesteert tegen de komst van het autobusbedrijf van de Nederlandsche Spoorwegen. Rond die tijd, ook begin 1927 dus, besluit de gemeente Eindhoven dat het stadsvervoer anders geregeld moet worden. In plaats van concessies aan diverse autobusondernemers zoals tot dan, moet er één stedelijke vervoerder komen. Bij de aanbesteding voor de nieuwe concessie gaat er echter van alles mis - ook toen al dus. En als er dan eindelijk toch een winnaar is, haakt die even later af. Een andere gegadigde, de Nederlandsche Brockway Bus Maatschappij uit Amsterdam, heeft er bij nader inzien ook niet veel trek meer in en schuift een geheel nieuwe partij naar voren. Die nieuwe partij is Henri Boon, die niet eerder betrokken is bij het verkrijgen van de concessie.

Toch gaat de gemeente Eindhoven met Boon in zee en december 1927 aanvaardt hij de vergunning die op 1 januari 1928 ingaat. Een van de eisen van de gemeente Eindhoven is dat de autobusactiviteiten worden ondergebracht in een naamloze vennootschap. Samen met koopman Frans (F.C.) Bazelmans (1893-?) richt automobielhandelaar Henri Boon daartoe op 28 april 1928 de NV Stadsverkeersdienst Eindhoven op. Boon en Bazelmans zijn beiden voor de helft eigenaar en steken elk ƒ 10.000 in de nieuwe NV. De heren voeren ook gezamenlijk de directie van het bedrijf, dat wordt gevestigd aan de Bleekstraat in Eindhoven.

Omdat het in een paar weken niet mogelijk is nieuwe autobussen te regelen, gaan Boon en Bazelmans van start met een aantal van de Brockway Bus Maatschappij (BBM) gehuurde exemplaren. De start op 1 januari verloopt overigens niet helemaal soepel. Op oudejaarsdag 1927 vertrekken Boons chauffeurs naar Heemstede om daar de van de BBM gehuurde autobussen op te halen.

Onder het motto ‘tijd zat’ en omdat het toch oudjaar is, maken de mannen met hun bussen vrolijk een omweg via Arnhem, omdat een familielid van een van hen daar een feestje geeft. Nog meer vertraging loopt het Boon-Brockway-konvooi op als ze eindelijk Arnhem verlaten en dan te maken krijgen met onregelmatig varende veerponten vanwege zware ijsgang door strenge vorst. Eind van het liedje is dat de nieuwe stadsverkeersdienst niet nieuwjaarsdag zondag 1 januari 1928 negen uur ’s ochtends begint te rijden, maar pas tegen een uur of één in de middag. En omdat er niet zes bussen in Eindhoven aankomen zoals gepland maar slechts vijf, wordt op één van de zes lijnen gewoon niet gereden. Wat er met die zesde bus aan de hand is blijft onduidelijk, maar zeker is dat er vanaf zaterdag 7 januari een zesde autobus op die zesde lijn volgens de dienstregeling rijdt.

Dat de autobusondernemers die hun concessie verliezen door de komst van Boons Brockway-bussen niet blij zijn, laat zich wel raden. Dat in januari 1928 kort na elkaar twee autobussen van twee van die ongeluksvogels in de fik vliegen, is daarom misschien ook niet verwonderlijk. Bij de eerste brand is autobusondernemer Prins op weg naar Den Bosch om daar zijn overbodig geworden ‘vehikel’ te verkopen. ‘Nabij Son is de bus in brand geraakt en totaal vernield; de veldwachter van het dorp stelde een onderzoek in.’

De tweede brand ontstaat voor de deur bij de ouders van autobusman Van Beek. ‘Alvorens te vertrekken moest hij, althans volgens zijn verklaring, de radiateur ter afkoeling van de motor met water bijvullen. Terwijl hij met dit werkje bezig is, maakt men hem opmerkzaam op een brandje ontstaan onder de motor. Hij slaagde erin het vuur met een poetslap te blussen. Toen hij even later instapte en wilde wegrijden, vloog volgens zijn verklaring plotseling en door onbekende oorzaak de wagen in brand. Er bleef tenslotte niet veel meer dan een geraamte van de autobus over. Naar we vernemen is de wagen voor ƒ 1.500 verzekerd.’ En zo is ook autobusondernemer twee van zijn overtollig geworden bus verlost. Toeval bestaat, maar dit is wel heel erg toevallig.

Minder toevallig is dat vanaf maart 1928 de chauffeurs van de Stadsverkeersdienst met zes eigen in plaats van gehuurde Brockway-bussen rijden op de zes lijnen. Hoe dat eerste jaar financieel verloopt en hoe het staat met de klanttevredenheid, is onbekend. Wel weten we dat na dat eerste jaar het magazijn met gevonden voorwerpen gevuld is met 48 achtergebleven paraplu’s en tompouces (?!), een baret, een kinderschort en een paar kinderkousen, een bontje, een boodschappentas, een das, een damestas, een schort, een herenhoed en uiteraard diverse portemonnees.

Jaren later, bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stadsverkeersdienst, weet de Eindhovense wethouder Gijzels nog te melden dat er dat eerste jaar ruim 1,65 miljoen passagiers vervoerd zijn. Zo staat het tenminste in de ene krant. Een ander dagblad houdt het met diezelfde wethouder bij dezelfde gelegenheid als bron op bijna 1,2 miljoen passagiers.

Wat ook duidelijk wordt, is dat het verlengen van de concessie niet elke keer op rolletjes verloopt en er ook de nodige kapers op de kust zijn. Zo doet bijvoorbeeld in 1930 al de Eindhovense Forddealer NV Van der Meulen-Ansems de gemeente het aanbod om de stadsautobusdienst te gaan exploiteren. Met Fordjes uiteraard. Het lijkt op een poging in te breken in een nog lopende concessie - die aan de Stadsverkeersdienst voor vijf jaar is verleend en dus pas in 1933 afloopt.

De gemeente wijst het Van der Meulen-aanbod af, maar het geeft wel aan dat die periodieke verlengingen geen automatismen zijn en dat de NV Stadsverkeersdienst van de heren Boon en Bazelmans om de zoveel jaar de kans lopen dat het einde oefening is. In 1933 wordt de concessie van de Stadsverkeersdienst overigens gewoon verlengd. Boon laat ondertussen niet alleen bussen rijden. Ook op bestuurlijk gebied laat hij van zich horen, getuige zijn benoeming in 1934 tot lid van de commissie van advies inzake autobuszaken van de Bond van Bedrijfsautohouders.

Na tien jaar busvervoer door de NV Stadsverkeersdienst eist de gemeente Eindhoven, bij de tweede verlenging van de concessie in 1938, dat er een eenhoofdige leiding komt in de NV. De reden van die eis is onbekend, maar wat we wel weten is dat Bazelmans door Boon wordt uitgekocht, waarna die laatste dus het bedrijf voortzet met als nieuwe naam NV Autobedrijf De City. Die nieuwe naam zou ook een eis van de gemeente zijn, waarschijnlijk om te voorkomen dat men denkt dat de NV Stadsverkeersdienst eigendom is van de gemeente zelf. Of de heren Boon en Bazelmans vriendschappelijk uit elkaar gaan, weten we niet. Wel weten we dat in 1939 in de gemeenteraad van Eindhoven volgens een verslag nog langdurig ‘gediscussieerd wordt over een adres van de heer F.C. Bazelmans tegen het verlenen van een concessie voor het lokaal autobusverkeer, een zuiver persoonlijke aangelegenheid, waaromtrent de voorzitter een uitvoerige uiteenzetting geeft, waarmee de raad zich na ampele bespreking kan verenigen, zodat het adres voor kennisneming wordt aangenomen.’

Hoewel in diezelfde raadsvergadering ook wordt besloten in de politieverordening op te nemen dat sneeuwruimen verplicht wordt, is de kou daarmee niet uit de lucht. In 1941 dient Bazelmans opnieuw een ‘adres’ in dat weer voor kennisneming wordt aangenomen want, zo meldt een verslag, ‘deze concessie was aanvankelijk verleend aan de heren Boon en Bazelmans, maar nadien uitsluitend aan de heer Boon waarmee de heer Bazelmans zich toen en ook nu niet verenigen kon’. Autobuskerkhof De Dump

Niet alleen Frans Bazelmans wordt ‘buiten gebruik’ gesteld. Met enige regelmaat gebeurt dit ook met de autobussen van De City. Die worden dan geparkeerd op een soort privékerkhofje achter de garage aan de Bleekstraat en wachten daar op een (op)koper of staan met enige regelmaat nog bruikbare onderdelen af om het overige materieel rijdend te houden. Als dat kerkhofje achter de garage te klein wordt, verhuist die buiten-gebruik-stalling naar de overkant van de Bleekstraat en wordt dan heel toepasselijk De Dump genoemd. In 1949 echter heeft de overbuurman daar, textielfabriek Schellen, het terrein nodig voor haar nieuwbouw en verhuist De City’s autobuskerkhof naar de Voorterweg en nog weer later naar de Breitnerstraat, beide ook in Eindhoven.

Door de oorlog duurt het tot 1950 voordat een nieuwe vergunning wordt afgeven aan Boons Stadsautobusdienst. Voor zeven jaar dit keer. In de jaren voorafgaand aan de verlenging wordt uitgebreid gediscussieerd over de voors en tegens van particuliere versus gemeentelijke exploitatie en de mogelijkheden van trolleybussen. Iedereen deed daarna zijn plas en alles bleef zoals het was. Dat verlengen van de concessie gebeurt daarna nog vele malen, maar omdat autobussen en hun diensten nou niet echt mijn stiel is en omdat de rest van de geschiedenis van Boon met zijn autobussen voor de liefhebbers uitgebreid omschreven is in de Autobuskroniek (zie Bronnen), volsta ik hier met nog te melden dat ‘de heer Boon van deze zaak altijd een persoonlijke hobby heeft gemaakt, die bijzonder goedkoop draaide door een licht bezette en laagbetaalde top.’ Boons City Bleekstraat Bedoening

De NV Stadsverkeersdienst wordt gevestigd aan de Bleekstraat in Eindhoven, waar maart 1928 een bouwterrein van 1.100 m2 wordt aangekocht. September dat jaar wordt gestart met de bouw van een winkel, kantoren, magazijnen en drie bovenwoningen voor de somma van ruim dertigduizend gulden ‘zonder gewapend beton’. Ook wordt dan een Hinderwetvergunning aangevraagd voor het oprichten van een autogarage met werkplaats. Die bouw en benodigde vergunningen zijn mede noodzakelijk omdat de NV Stadsverkeerdienst kort na de start van de autobusactiviteiten ook een gewoon automobielbedrijf wordt.

De Geboorte van de City Garage

Augustus 1928 wordt de Stadsverkeersdienst dealer van Willys-Overland. November dat jaar volgen de personen- en vrachtwagens van REO. Lang genieten Eindhoven en de Stadsverkeersdienst niet van die Willys en REO’s aan de Bleekstraat. Maart 1929 maken ze plaats voor Buick, GMC en Oldsmobile van General Motors (GM) en het eveneens Amerikaanse Whippet. Ook het nieuwe Buick-fabricaat Marquette maakt kort daarna haar opwachting aan de Bleekstraat. Vanaf die tijd worden de autohandel activite...

Jaar Gebeurtenis
1890 Henri Jean Paul Boon geboren in Fos sur Mer, Frankrijk
1902 Familie Boon verhuist naar IJmuiden
1917 Boon begint een bezemfabriek in Heeze
1924 Boon koopt een voormalige fabriek in Heeze
1928 NV Stadsverkeersdienst Eindhoven opgericht
1938 Boon koopt Bazelmans uit en wordt NV Autobedrijf De City

Populaire artikelen:

Plaats een reactie