De Geschiedenis van Bussum en het Gooi: Van Veldwachters tot Verzet

Het Gooi, een streek met een rijke geschiedenis en een bijzonder karakter, gelegen tussen de Eem en de Vecht. De bodem, bestaande uit zand en grint, en de ligging tussen 10 en 25 meter boven A.P., maken het tot een uniek gebied in de provincie Noord-Holland.

Topografische kaart van het Gooi en de Vechtstreek

De Vroegste Bewoners en Natuurschoon

De uitgestrekte heidevelden, de bossen met dennen, beuken en berken, en de nabijheid van steden als Amsterdam en Utrecht, maakten het Gooi al vroeg tot een aantrekkelijke plek om te wonen en te recreëren. Reeds voor eeuwen was hier een volksstam gevestigd, van wie de steenen getuigen en die in allerlei volksgebruiken herinneringen van zijn leven achterliet.

De rijke verscheidenheid en de voortdurende afwisseling van prachtige vergezichten, met de zee als een reusachtig meer, geven het Gooi een onvergelijkelijke schoonheid.

Lambertus Hortensius beschreef het Gooi al in sierlijk Latijn:

Lees ook: Bekijk de volledige analyse van de Opel Grandland automaat.

‘Beklim ik een' der heuvels, dan zie ik, ten oosten, in 't midden der bosschen, het hooge Amersfoort; naar 't westen Utrecht, de groote stad; wendt gij het oog naar het noorden, dan ziet gij op den helderen boezem der Zuiderzee de visschers bezig met hun bedrijf, en ver daarachter het vlakke Waterland. Naar het zuiden vindt men uitgestrekte landen, door dorpen omgeven, waar de landman den grond met het harde ploegijzer klieft; boven de heuvels steken de toppen der wouden uit.’

Van Naardingerland tot Gooiland

Reeds voor meer dan negenhonderd jaar wordt het Gooiland genoemd, echter onder anderen naam. Tot het begin der 14de eeuw is 't alleen als Naardingerland bekend. Na dien tijd gaat de oude naam allengs verloren en komt de nieuwe algemeen in zwang.

Het Gooi kende een turbulente geschiedenis met geschillen over grenzen tussen naburige gewesten. In 1348 werd op een veld bij den Lapersweg een bloedige slag geleverd. In 1420 werd Hilversum uitgeplunderd, in 1481 Naarden bij verrassing genomen. Bij den aanvang der beroerten had het Gooiland van de Watergeuzen niet weinig te lijden en Naarden's rampzalig lot is bekend.

De Ontwikkeling van Bussum

In de tijd dat Bussum nog onder het bestuur van Naarden viel, werd van daaruit door de Vroedschap voor het dorp een veld-boswachter aangesteld. Gemt Brand bekleedde die functie toen Bussum in 1817 zijn zelfstandigheid verwierf. Bijna twintig jaar eerder, in 1798, toen Bussum voor de tweede keer een tijdelijke zelfstandigheid kreeg, was Gerrit Brand al beëdigd tot brandmeester.

Als één van zijn eerste taken zette schout Thierens zich aan het opstellen van een instructie voor "Den Dienaar van Politie". In deze instructie kwam onder meer te staan hoe hij zich diende te kleden tijdens het uitoefenen van zijn ambt. Zijn uniform zou moeten bestaan uit een blauwe lakense jas, en op zijn hoofd een driekanten steek. Hij werd bewapend met een geweer, sabel en een paar pistolen.

Lees ook: Alles over de Opel Combo

Voor zijn salaris werd fl. 3,-/ week uitgetrokken. Zo uitgedost en met wapens omhangen werd hij geacht wet en orde te gaan handhaven. Gerrit voelde daar echter niets voor. Mogelijk achtte hij zich niet in staat om met het wapentuig om te gaan. Hij bedankte voor de eer en er moest een nieuwe kandidaat gevonden worden. In zijn plaats werd Evert van Hoeven aangesteld. Pas nadat deze in 1836 was overleden, was Brand bereid om als handhaver van de openbare orde op te treden. Tot zijn dood in 1844 bleef hij veldwachter en tevens gemeentebode. Zijn opvolger was Frans Smeink, die de volgende dertig jaren voor de veiligheid in het dorp zorgde.

Nachtwacht en Brandpreventie

Om de veiligheid 's nachts te waarborgen stelde de nieuwe Raad in 1817 een nachtwacht in. Hun taak was om gedurende de nacht te patrouilleren en daarbij met een ratel iedere anderhalf uur de tijd om te roepen, omdat veel inwoners geen uurwerk hadden. Aanvankelijk bestond de nachtwacht uit vijf personen. Dat waren 2 x 2 lopers en één opzichter. Dat aantal kreeg men niet altijd bij elkaar en daarom werd al na een jaar ingesteld dat alle volwassen manlijke dorpelingen om beurten dienst moesten doen.

In 1842 besloot de Raad om het wachtlopen anders te organiseren. Er werd een algemene nachtwachtplicht ingesteld. Hierbij moesten iedere nacht 8 wakers en een wachtmeester rondlopen volgens een bepaald dienstschema. Bij verhindering was men verplicht om een vervanger te sturen.

De winter van 1863 is zo zacht geweest, dat men besloot voortaan geen wacht meer te lopen. Uit dit laatste kan men concluderen dat de nachtwacht in hoofdzaak bedoeld was om tijdig een begin van brand te kunnen opmerken.

Van een georganiseerde brandweer was hier gedurende de eerste driekwart van de negentiende eeuw geen sprake. Het 'zware materieel' bestond in 1817 uit een oude handpomp, die in 1740 door Naarden aan Bussum was afgestaan en een nieuwe die in 1816 was aangeschaft. Deze blusmiddelen stonden in de leegstaande St.

Lees ook: Opel Astra uit 2000 taxeren

De brandklok hing in het torentje van diezelfde kapel en werd in geval van brand door de schoolmeester geluid. Die had immers de sleutel van het kerkje. Verder gebood de burenplicht om de getroffenen zo goed mogelijk te helpen, door met emmers water of zand het vuur te lijf te gaan en te redden wat er te redden viel.

Als preventie was er een "Reglement voor de Directie der Brandspuit te Bussum". Dat reglement verbood om a) brandende kolen of turven door het dorp te dragen en b) "op straat lopend en daarbij rokende personen hun pijp daarbij niet van een behoorlijke dop te hebben voorzien".

Gezondheidszorg en Openbaar Vervoer

Voor geneeskundige hulp was men in Bussum in de eerste helft van de negentiende eeuw geheel op Naarden aangewezen. Dat betrof zowel de medische al ook de verloskundige bijstand. Er was hier wel een vrouw die bij bevallingen hielp, maar zij was daarvoor geheel onbevoegd.

Als men een geneesheer of vroedvrouw nodig had, dan zat er niets anders op dan naar de stad te gaan en daar hulp in te roepen. Het niet aanwezig zijn van een gemeentearts maakte het bv. onmogelijk om tijdens de grote cholera-epidemie van 1832 te voldoen aan de landelijke voorschriften om deze ziekte te bestrijden.

Vóór 1800 lag Bussum buiten iedere vorm van openbaar vervoer. Niet dat men reislustig was. Daar had men geen tijd en geen geld voor. Maar soms moest er wel eens iemand bv. in Amsterdam zijn. Dan had men twee mogelijkheden. Ofwel op eigen gelegenheid; door het hele eind te lopen, of er met paard en wagen heen te rijden.

De andere mogelijkheid was om eerst naar Naarden te wandelen en daar de trekschuit of een reiskoets te nemen. In april 1798 had Bussum zich voor de tweede keer zelfstandig verklaard en als gevolg daarvan stelde de Municipaliteit per l januari 1802 een veerdienst op Amsterdam in.

De beurtschipper werd Lambert Majoor, die éénmaal per week op de hoofdstad voer. Dat wil zeggen op zondag - na de kerk - heen en op maandag weer terug. Vanuit Naarden werd er hevig tegen geprotesteerd, want het ging ten nadele van de stedelijke veerdienst, vonden zij.

Economische Ontwikkeling en Industrie

In een rapport over de economische toestand van zijn gemeente, dat Thierens in 1818 opstelde, schreef hij dat er in Bussum 2 fabrieken waren. De een was een weverij van dweilen en in de andere maakte men katoenen lampenpitten. Verder vermeldde hij, dat de toestand van beide bedrijven verre van rooskleurig was.

Een aantal dorpelingen verdiende een karig inkomen in de zandafgravingen rond de vesting. In 1800 was men zo ver gevorderd dat men de grens van Bussum bereikt had. Later, na 1830, vestigden zich langs de afgravingsloten een nieuwe vorm van nijverheid, de blekerijen.

Op 15 maart 1817 kochten de Amsterdamse bakkers van scheepsbeschuit Gerrit Caspar Vogelpoot en Francois Boesyaar een boerderij met drie schepel grond, aan de haven op de hoek van de Havenstraat met de Landstraat en richtte daar een bakkerij van scheepsbeschuit "De Goede Verwachting" op.

In 1851 geeft Dirk de fabriek en woningen nogmaals in onderpand als hij weer fl. 3000,- leent. Dit leidde er toe dat hij in januari 1854 gedwongen is om zijn aandeel in de fabriek te verkopen aan de heren C.A. Oliphant en H.C. Hartevelt uit Leiden.

Achter de boerenhofstede aan de Brinklaan op de hoek met de Kerkstraat tegenover de Rozenboom en in het bezit van Louis Portman, stond wat naar achteren gelegen een voormalige tuinmanswoning. Daarin begon zijn zoon K.L. Portman een zeepziederij. Wet octrooi hiervoor was hem in 1836 verleend en hiermee kreeg hij vergunning om 'inlandse zachte Spaanse zeep' te fabriceren.

De reeds genoemde Daniel Aeyelst kocht in januari 1839 aan de Brinklaan bij de Veerstraat grond om er een verfstoffenfabriek te stichten. Deze fabriek verkocht hij, aan J.H. Graswinkel en Mr. Nagtglas in 1845. Beide heren voegden er een fabriek van inkt en houtazijn aan toe.

Een paar jaar na het overlijden van zijn vader begon Roelof Gritters rond 1867 zijn eigen bierbrouwerij "De Hoop". Als Locatie koos hij de Huizerweg ter hoogte van de huidige verlichtingspeciaalzaak IDECO.

Bierbrouwerij "De Hoop" aan de Huizerweg

Hans Katan: Verzetsstrijder in Hilversum

Hans Katan (1919-1943) was zeer gedreven in het verzet tegen de Duitse bezetting van Nederland. Ook liquidatie van Nederlandse collaborateurs gingen hij en zijn strijdmakkers niet uit de weg. Op 1 oktober 1943 is hij gefusilleerd. In een afscheidsbriefje aan zijn moeder maakte hij duidelijk nergens spijt van te hebben. Volgens diverse auteurs was het een ‘warm’ gezin waarin Hans Katan in Hilversum opgroeide.

Op 9 augustus 1919 werd hij geboren als eerste kind van de joodse juwelier David Katan en diens niet-joodse vrouw Johanna (Jo) Romunde. Op 30 april 1923 volgde broertje Ernst. Aanvankelijk woonden David en Jo boven de zaak, aan de Kerkstraat 4 in Hilversum. Toen hun zoons werden geboren waren ze al verhuisd naar Gerard Gullaan 26, in een aangename, groene buurt.

Foto op het persoonsbewijs van Hans Katan

Na de capitulatie en ontbinding van het Nederlandse leger keerde hij tijdelijk terug naar Hilversum. Daar had vader David al in 1937, vermoedelijk onder druk van de economische crisis, de juwelierszaak plus bovenwoning verkocht (en naar valt aan te nemen ook de kunstnijverheidswinkel). In oktober 1940 gingen David en Jo Katan uit elkaar. Diverse auteurs veronderstellen dat ze dat deden om hun zoons te beschermen.

Vervolgens kwam hij in aanraking met verzetsgroep CS-6, genoemd naar Corellistraat 6 in Amsterdam-Zuid. CS-6 zou uitgroeien tot een illegale organisatie met zo’n vijftig tot zeventig hoofdzakelijk Amsterdamse leden, vrijwel allemaal twintigers, en velen van hen - maar niet allemaal - communistisch georiënteerd. Binnen deze groep kwam Hans Katans verzetswerk tot volle ontplooiing.

Op Duitsers werden geen aanslagen gepleegd uit vrees voor heftige represailles van de bezetter. In totaal benam CS-6 vierentwintig gevaarlijk geachte collaborateurs het leven en bij een flink deel van die acties was Hans Katan (schuilnaam Bernard) betrokken, soms als uitvoerder, vaker als organisator of leverancier van een wapen.

Het voornemen was hem neer te schieten in een luxe restaurant in de Amsterdamse Leidsestraat waar de NSB-leider geregeld kwam. Met kelners was geregeld dat een achterdeur open zou staan zodat de schutter zich snel uit de voeten kon maken. Stom toevallig echter sloten de Duitsers de dag vóór de geplande liquidatie alle ‘luxe’ ondernemingen, inclusief restaurants.

Van verrader/infiltrant Ridderhof werd Hans Katan een van de eerste slachtoffers. Katan werd gearresteerd op 19 augustus 1943. Dat gebeurde tijdens een feestje bij dichter Ed Hoornik thuis, Stadionstraat 25-II.

Tijdens het proces voor het Polizeistandgericht in Amsterdam werd Hans voorgesteld als de leider van CS-6. Dat paste mooi in het Duitse verhaal: een half-jood als aanvoerder van een als gevaarlijke terreurorganisatie beschreven groep. Hoewel hij in de groep een prominente rol speelde, was de Duitse voorstelling van zaken wel erg overdreven.

In zijn cel in het Huis van Bewaring Weteringschans in Amsterdam schreef Hans de avond voor hij de kogel kreeg een afscheidsbriefje aan zijn moeder. Op 1 oktober werden hij en de achttien anderen gefusilleerd in de duinen bij Overveen (gemeente Bloemendaal) en in een massagraf gedeponeerd. Na de oorlog kregen ze allemaal een plekje op de Eerebegraafplaats Bloemendaal aan de Zeeweg.

Na de HBS in Hilversum ging hij cello studeren aan het Muzieklyceum in Amsterdam. Niet zo intensief dan zijn broer Hans, maar ook Ernst Katan was betrokken geraakte bij de activiteiten van verzetsgroep CS-6. Zo nu en dan deed hij koerierswerk. Op 23 juni 1943 vroeg hij een nieuw paspoort aan, maar dat kreeg hij niet.

In plaats van op de trein naar Berlijn stapte Ernst op 13 oktober - twaalf dagen na de executie van Hans - in een trein naar Brabant, waar hij bij familie wilde schuilen. De transportlijst met daarop ook de naam van Ernst Katan.

Ernst werd afgevoerd naar kamp Amersfoort, waar hij bijna een jaar verbleef. In augustus 1944 werd hij naar Westerbork gebracht. Daar besloot hij met enkele andere joodse gevangenen een vluchtpoging te wagen. Die mislukte. Al vlak buiten het kamp werden ze gepakt door Nederlandse bewakers. Het was 6 september 1944. Kampcommandant Gemmeker gaf bevel ze nog diezelfde nacht te fusilleren.

Omdat Ernst geen graf had, werd na de oorlog zijn naam toegevoegd aan die van Hans op de steen op diens graf op de Eerebegraafplaats Bloemendaal.

Op de urn stonden drie namen, die van Ernst was er met potlood bij geschreven. Het was en raadsel voor de betrokken instanties - de Oorlogsgravenstichting, Stichting De Eerebegraafplaats te Bloemendaal en Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Grafsteen voor Ernst Katan op het Nationaal Ereveld Loenen. De urn met as werd herbegraven op Nationaal Ereveld Loenen (Veluwe) en daar heeft Ernst ook een grafsteen gekregen.

Sensing - Acties (Deel twee) / CAST Symposium

Populaire artikelen:

Plaats een reactie