De Werking van de Richtingaanwijzer in Auto's: Regels en Problemen

Tot de belangrijkste ergernissen in het verkeer behoort het niet gebruiken van richtingaanwijzers door medeweggebruikers. Een halve eeuw wachten op de rotonde, duimendraaien op de parkeerplaats en met de handen in het haar zitten als iemand plotseling toch van rijbaan wisselt. Allemaal ergernissen die ontstaan als iemand de richtingaanwijzer niet gebruikt. Tijd voor verandering!

Veel automobilisten lijken de regels der richtingaanwijzers dan ook niet helemaal op orde te hebben. Het is dan ook belangrijk om jouw richtingaanwijzers tijdig aan te tikken! Richting aangeven terwijl je afslaat, heeft weinig zin. Immers moeten eventuele achterliggers alsnog op het allerlaatste moment in de rem duiken.

De richtingaanwijzer gebruik je om aan het andere verkeer te laten zien wat je van plan bent. Je gebruikt de richtingaanwijzer bijvoorbeeld als je wilt:

  • invoegen
  • uitvoegen
  • inhalen
  • wegrijden
  • parkeren
  • een rotonde verlaten
  • veranderen van richting
  • veranderen van rijstrook

Gebruik de richtingaanwijzer niet langer dan nodig is. Dit om verwarring in het verkeer te voorkomen.

Als je ergens stil komt te staan waar je niet direct opgemerkt kunt worden, of waar je een gevaar kan opleveren, moet je de knipperende waarschuwingslichten aanzetten.

Lees ook: Handleiding richtingaanwijzer vervangen Opel Astra

Kijken en scannen

Wettelijke Verplichtingen en Regels

Knipperlichtgebruik is niet vrijblijvend. Bestuurders van motorvoertuigen zijn bij wet verplicht om richting aan te geven. Het is dus niet toegestaan om naar eigen inzicht het knipperlicht te gebruiken en zo nu en dan te verzuimen.

De wettelijke regels voor het gebruik van de knipperlichten zijn vastgelegd in een uitvoeringsbesluit bij de Wegenverkeerswet 1994, genaamd het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

Het is belangrijk om op het goede moment de juiste richting aan te geven. Hierdoor geef je je medeweggebruikers te kennen wat je aan het doen bent of voornemens bent te gaan doen. Je moet als bestuurder een teken geven met je richtingaanwijzer als je links of rechts afslaat.

Dit geldt als je op een reguliere weg rijdt en wilt afslaan, maar bijvoorbeeld ook als je op een rotonde rijdt. Het is verplicht om bij het verlaten van de rotonde richting naar rechts aan te geven. Bij het oprijden van de rotonde is het niet verplicht om richting aan te geven, maar dit wordt vaak wel gedaan. Het is een extra signaal om aan te geven wat je gaat doen.

Als je de snelweg oprijdt, moet je invoegen. Dit kan als je daarvoor voldoende ruimte hebt. Voordat je daadwerkelijk invoegt, kijk je eerst in de binnenspiegel, buitenspiegel en over je schouder. Hierna geef je pas richting aan met je signaleringslicht c.q. Het is belangrijk om direct na het invoegen de richtingaanwijzer weer uit te zetten.

Lees ook: Zelf je Peugeot 307 richtingaanwijzer vervangen

Ook bij het uitvoegen geef je richting aan. Deze moet je echter niet meteen uitzetten. Anders weten de andere weggebruikers niet zeker of je de rijstrook daadwerkelijk verlaat. Naast het aangeven van richting bij invoegen en uitvoegen, moet je ook richting aangeven bij het inhalen van andere (motor)voertuigen.

Je moet dus richting aangeven als je naar links of rechts afslaat, als je een rotonde verlaat, als je invoegt of uitvoegt en als je een motorvoertuig inhaalt. Er zijn echter nog enkele andere situaties waarin je een teken moet geven met je richtingaanwijzer.

Gebruik je je richtingaanwijzers niet (naar behoren) en wordt hierdoor een situatie veroorzaakt waarin blikschade of letselschade ontstaat, dan kán het foutieve gebruik of ongebruikt laten van je knipperlichten van invloed zijn op het al dan niet tot uitkering komen van de autoverzekering… Of voor de mate waarin de verzekering tot uitkering komt.

Wie hem niet gebruikt, kan zelfs verrast worden met een fikse boete van €90. Het is dus niet alleen veiliger om de knipperlichten te gebruiken, maar ook beter voor uw portemonnee.

Eerst kijken, dan doen Wie het knipperlicht wilt gebruiken, heeft een plan. Denk aan afslaan of van rijstrook wisselen. Het is meer dan logisch, maar kijk altijd eerst of het wel veilig is. Check de spiegels en houd rekening met de dode hoek. Geef dan duidelijk de richting aan en voer het vervolgens uit.

Lees ook: Zelf je richtingaanwijzerschakelaar vervangen Peugeot 107

De meeste onduidelijkheid bestaat over het gebruik van het knipperlicht bij rotondes. Eigenlijk is het heel simpel: pas als u de rotonde verlaat, moet u richting aangeven omdat u dan naar rechts gaat. Als u de rotonde oprijdt, hoeft u het knipperlicht niet te gebruiken. Het mag natuurlijk wel.

De richtingaanwijzer wordt ook vaak dwingend gebruikt. Om ruimte te claimen in de file bijvoorbeeld of om snel duidelijk maken dat je dat plekje op een parkeerplaats op het oog had. Niet netjes en het kan heel gevaarlijk zijn. Probeer in deze situaties daarom altijd oogcontact te maken met de andere bestuurders.

Net zoals automobilisten moeten ook motor- en brommerrijders duidelijk richting aangeven. Fietsers doen dit door hun hand uit te steken, net zoals in de eerste auto’s moest. Deze hadden nog geen richtingaanwijzer, waardoor je gedwongen werd om je arm naar buiten te steken.

Technische Aspecten en Problemen

Een richtingaanwijzer hoort in een rustig, gelijkmatig tempo te knipperen. Wanneer het ritme plotseling versnelt, wijst dit vaak op een technisch probleem.
Een te snel knipperende richtingaanwijzer functioneert dus niet alleen als storing, maar ook als diagnosemiddel. Het signaleert dat er actie nodig is: een lamp vervangen, de bedrading nalopen of het relais vernieuwen. Meestal is het dat eerste. Door dit probleem direct aan te pakken blijft de auto goed zichtbaar en veilig in het verkeer.

De meest voorkomende oorzaak van een snel knipperende richtingaanwijzer is een defecte lamp. Zodra een van de gloeilampen of LED-modules uitvalt, ontstaat er minder elektrische belasting in het circuit. Het relais dat het knipperritme regelt, reageert daarop door de stroom sneller te onderbreken. Het lijkt alsof de richtingaanwijzer haast heeft, maar in werkelijkheid fungeert dit als ingebouwde waarschuwing: de bestuurder wordt attent gemaakt op een lamp die niet meer werkt.

Soms ligt het probleem niet bij de lamp zelf, maar bij de bedrading of de fitting. Corrosie, vuil of vocht tast de verbindingen aan, waardoor de stroomtoevoer instabiel verloopt. Het relais registreert dit en schakelt sneller.

Daarnaast speelt slijtage van het relais een rol. Bij oudere voertuigen met mechanische relais leidt een versleten veer of contactpunt tot een onregelmatig tempo. Vervanging van dit onderdeel herstelt meestal het normale ritme.

Ook de overstap naar ledverlichting levert soms verrassingen op. Ledjes verbruiken veel minder stroom dan halogeenlampen. Het oorspronkelijke relais “denkt” daardoor dat er sprake is van een defect knipperlicht en zorgt voor een snel knipperende richtingaanwijzer.

Verplichte Verlichting volgens APK

Volgens de APK (Algemene Periodieke Keuring) zijn de volgende lichten verplicht op een personenauto:

  • twee dimlichten, met eventuele eisen voor gasontladingslichtbronnen
  • twee stadslichten
  • twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde (of één aan elke zijkant voor voertuigen van vóór 1 juli 1967)
  • waarschuwingsknipperlichten (voor voertuigen van na 31 december 1997)
  • één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant (voor voertuigen van na 31 december 1997)
  • twee achterlichten
  • twee remlichten (of één of twee voor voertuigen van vóór 1 juli 1967)
  • een achterkentekenplaatverlichting
  • twee rode retroreflectoren aan de achterzijde
  • één mistachterlicht (voor voertuigen van na 31 december 1997), geplaatst in of links van het midden
  • één achteruitrijlicht (voor voertuigen van na 31 december 1997)
  • twee markeringslichten aan de voor- en achterzijde (voor voertuigen van na 31 december 1997 en breder dan 2,10 m, of voor 1 januari 1998 en breder dan 2,60 m)
  • zijmarkeringslichten (voor voertuigen van na 31 december 1997 en langer dan 6,00 m)
  • ambergele retroreflectoren aan elke zijkant (voor voertuigen van na 31 december 1997 en langer dan 6,00 m), waarbij de achterste rood mag zijn

De visuele controle omvat onder andere het controleren of de lichten beschadigd zijn en voldoen aan de kleurvoorschriften.

Volgens de toelatingseisen moet de zijrichtingaanwijzer vanaf een bepaalde hoek aan de achterkant van de auto zichtbaar zijn. De APK-keuringseisen zijn nooit strenger dan de toelatingseisen. Daarom is het genoeg als de zijrichtingaanwijzer zichtbaar is vanaf 6 meter achter de voorkant van de auto en 1 meter opzij.

De zijrichtingaanwijzer mag ook in een buitenspiegelglas zitten, als de kleur maar aan de regels voldoet.

Aanpassingen voor Bedieningsgemak

Heeft u moeite met het bedienen van de richtingaanwijzer? Of is het lastig om de verlichting aan en uit te doen? Wij maken de verplichte functies als richtingaanwijzer, ruitenwisser en verlichting weer eenvoudig te bedienen.

Met de PV1009 bedieningsunit van KIVI bedient u de richtingaanwijzer, ruitenwisser, verlichting en claxon van de auto. De bedieningsunit is ergonomisch vormgegeven en is eenvoudig te monteren aan het stuur. Als de unit niet (meer) wordt gebruikt kan deze eenvoudig worden verwijderd.

Met SmartSteer is het mogelijk om eenvoudig en veilig de ruitenwisser, richtingaanwijzer, verlichting en claxon te bedienen en tegelijkertijd de volledige controle over het stuur te houden. Door de unieke ergonomische vormgeving van SmartSteer is het heel eenvoudig om tijdens het sturen de intuïtief de gewenste functie te bedienen. De ergonomische vormgeving geeft een goede grip en ondersteuning. Als de unit niet (meer) wordt gebruikt kan deze eenvoudig worden verwijderd.

Als de linker handfunctie beperkt is, kan de bediening van de richtingaanwijzer naar de rechterzijde van het stuur worden verplaatst.

Populaire artikelen:

Plaats een reactie