De Isetta is de merknaam van het bekendste ‘bubblecar’-wagentje dat eerst geproduceerd werd door de Italiaanse firma ‘Iso SpA’ van Renzo Rivolta. De materiaaltekorten na de Tweede Wereldoorlog zorgden voor een grote populariteit van compacte auto’s, vaak met drie wielen. Er was behoefte aan overdekt vervoer maar veel eisen aan bagageruimte of veiligheid werden er nog niet gesteld.
Ook BMW had na de oorlog de productie van auto’s weer opgepakt, maar de modellen 501 en 502 waren te duur en te exclusief om tot grote verkoopcijfers te kunnen leiden. In Turijn zagen de technici de Avantgarde Isetta van Iso. Het bijzonder onconventionele concept sprong in het oog en BMW zag mogelijkheden in deze auto. De tweetaktmotor kon eenvoudig worden vervangen door een 250cc-motorfietsmotor met 12 pk en andere optische en technische details werden verbeterd.
In een uniek concept was de deur aan de voorkant geplaatst, waardoor stuur en dashboard naar buiten klapten. In 1955 kocht BMW een licentie om de wagen te mogen produceren. Later dat jaar werd de BMW Isetta aan de pers getoond en de auto werd door het publiek goed ontvangen. In dat jaar werden er 13 000 exemplaren gebouwd, en in Duitsland werden er in 1957 bijna 40 000 exemplaren verkocht.
Samen met de Goggomobil en de Messerschmitt Kabinenroller was de Isetta een zeer succesvolle auto in zijn soort. De Isetta 600 was een grotere variant met twee achterdeuren en de achterwielen verder van elkaar. De wagen was duurder en daardoor geen commercieel succes. Velam in Frankrijk en Romi in Brazilië produceerden Isetta’s onder licentie.
De miniauto Isetta werd bedacht door de Italiaanse firma Iso SpA. Een bedrijf dat beging jaren ’50 aanvankelijk scooters, kleine driewielige vrachtautootjes en koelkasten produceerde. Oprichter Renzo Rivolta had slim ingespeeld op de naoorlogse vraag naar kleine betaalbare auto’s en presenteerde in 1953 in Turijn de Isetta.
Lees ook: Meer over de BMW Isetta
Dit bijzondere, eivormige autootje met bolle ramen was 2,29 m lang en 1,37 m breed. Er was slechts één deur aan de voorkant, zodat men als het ware zo de auto in kon lopen. Als je op het bankje ging zitten en de deur sloot, zag je dat aan de binnenzijde ingenieus het stuur en het dashboard waren bevestigd.
Er was maar plek voor twee personen en een beetje bagage. Voor wat frisse lucht moest het canvas dak een stukje open, wat tevens diende als een ontsnappingsroute bij een eventuele frontale botsing. Als extra opties kon men chroomlijsten, een verwarming of een pakkendrager voor extra bagage achterop bestellen.
De 236 cc, 9,5 pk ééncilinder tweetaktmotor zorgde voor een magere topsnelheid van 75 km/u, wat heuveltje op nog veel minder was. Hoewel de eerste prototypes aanvankelijk drie wielen hadden, kreeg de Isetta vanwege het gevaar van omvallen uiteindelijk toch een vierde wiel.
Iso SpA verkocht in 1955 de licentie aan onder meer BMW, die vervolgens de Isetta 250 op de markt bracht. Ondanks het succes van het latere model, de Isetta 300, waarvan maar liefst 160.000 exemplaren werden verkocht, stopte BMW in 1962 definitief met de productie.
De BMW Isetta was een driewieler en het had, evenals de goggomobiel, een tweetakt motor. Beide zijn dwergauto’s, wat gedefinieerd wordt als een auto korter dan drie meter. De BWM Isetta was 2,2 meter lang en 1,3 meter breed en hoog.
Lees ook: Isetta Tweedehands Informatie
Met dat soort kleine auto’s werd al eind 19de eeuw geëxperimenteerd, dus min of meer gelijk met de ontwikkeling van de auto. Tussen 1895 en 1910 verschenen de eerste kleine autootjes. Dat begon met de voiturette van Léon Bollée, een Franse autobouwer. Het was een driewieler. De eerste dwergauto’s op vier wielen verschenen begin 20ste eeuw. Het waren kleine, lichte en goedkope auto’s die tussen 1910 en 1920 die men cyclecar noemde.
De echte opgang van dwergauto’s vond plaats de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Dat kwam mede door bovengenoemde redenen. De interesse van fabrikanten voor kleinere auto’s begon echter al in de eerste oorlogsjaar. Het enthousiasme voor de dwergauto’s liep tot 1965.
De dwergauto’s werden tot die tijd microcars genoemd, maar enkele jaren eerder kwam de term minicar al in zwang. Dat kwam mede door de komst van de Fiat 500 in 1957 en de Mini van Morris en Austin in 1959. Geleidelijk kwamen rond 1990 nieuwe types kleine auto’s in opkomst. De Smart is daarvan een leuk voorbeeld.
In de jaren vijftig kampte BMW met veel financiële problemen. Het worstelde met een volstrekt onsamenhangend modellengamma. Dat bestond onder meer uit de Isetta en de V8 modellen (BMW 501/502). Er gaapte een kloof tussen deze modelgeneraties.
Terwijl BMW in 1959 alle mogelijke moeite deed om Daimler-Benz buiten de poorten te houden, verraste het met de komst van de BMW 700. De BMW 700 was technisch gedeeltelijk op de BMW 600 gebaseerd. In cosmetische zin was het echter een volstrekt andere auto. Giovanni Michelotti tekende voor een ontwerp, dat uitstekend in het modebeeld van het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig paste.
Lees ook: Dwergauto BMW Isetta
De BMW- de eerste van het merk met een zelfdragend koetswerk - volledig uit staal opgetrokken - kende de klassieke configuratie. De motor vond zijn weg in het achtersteven van de kleine BMW. De kofferruimte bevond zich aan de voorzijde. Als eerste werd de BMW 700 Coupé gelanceerd, gevolgd door de BMW 700 (Limousine), de BMW 700 Sport (later BMW 700 CS), de BMW LS Luxus (1962 tot 1965) en de BMW LS Coupé (1964 en 1965).
Alle modellen kregen als basis de luchtgekoelde tweecilinder boxermotor met een lichtmetalen krukashuis (carter) aangemeten. De basis voor de krachtbron was van een motorfiets-motor afgeleid. De eerste versie uit 1959 had 22 kW (30 PK) bij 5000 toeren per minuut. De sportievere versies kregen later 40 PK.
De BMW 700 geldt als belangrijkste auto in de geschiedenis van BMW. Hij zorgde ervoor, dat BMW een herkenbare koers ging varen. Hij was een alternatief voor de beginnende luxe automobilisten, die in een tijdperk van een groeiende welvaart een belangrijke doelgroep vormden. De 700 zorgde voor financiële rust in Beieren en daarmee voor een goede basis voor BMW om de Neue Klasse - waarmee BMW definitief doorbrak - goed door te ontwikkelen.
60 jaar geleden verscheen de eerste Isetta op de markt, en zeven jaar later verdween het markante compacte wagentje alweer. ‘Tijd voor een revival‘, aldus de Zwitsere firma Micro Mobility (dus niet BMW), dat een nieuwe Isetta in 2017 op de markt wil brengen.
Van de originele Isetta rolden maar liefst 160.000 exemplaren (die naderhand vlijtig in allerlei gedaantes werden omgebouwd) van de band, met een miniscuul twee eencilindertje dat hem vortbewoog. Hiermee konden durfals bergaf als het meezat de 100 km/u aantikken.
De CEO van het bedrijf heeft voor het project de handen ineengeslagen met een Hogeschool uit Zürich. Het autootje - dat Microlino gaat heten - moet ongeveer 10% groter worden dan de originele Isetta, en hetzelfde recept volgen: instappen via de voorkant, twee zitplaatsen, schuifraampjes, en een schuifdak als nooduitgang.
Met een volle accu kom je tot 80 km ver, de topsnelheid ligt op 90 km/u. Kort samengevat: de auto wordt een soort Twizy, maar dan met een retrotwist. En ramen. De Microlino moet omgerekend zo’n 6.500 tot 9.000 euro gaan kosten, alleen richt de maker zijn pijlen niet op de Zwitserse of Europese markt, zo zegt hij in een interview met de SonntagsZeitung. China iis de markt die Micro Mobility hier succes moet brengen.
Hiermee omzeilt het bedrijf waarschijnijk meteen claims van de maker van de originele Isetta, BMW, want in China bestaat intellectueel eigendomsrecht niet. 2017 lijkt mij echter erg positief, er is nog niet eens een prototype.
Bayerische Motoren Werke, kortweg BMW,(Nederlands: Beierse motorfabrieken) is een Duitse onderneming uit München die auto's en motorfietsen produceert. De onderneming is gevestigd in München, waar eveneens een fabriek en het BMW Museum staat. BMW is ook het moederbedrijf van Rolls-Royce Motor Cars, en produceert eveneens automobielen onder de naam Mini. In 2014 produceerde BMW voor het eerst in de bedrijfsgeschiedenis meer dan 2 miljoen voertuigen. BMW verkoopt zijn motorfietsen onder de merknaam BMW Motorrad.
De geschiedenis van BMW begint eigenlijk al op 15 februari 1912 bij de oprichting door de Duitse ingenieur in mechanica en luchtvaartpionier Karl Friedrich Rapp van zijn vliegtuigmotorfabriek met de naam Rapp Motorenwerke GmbH, voor het bouwen en commercialiseren van motoren voor ééndekkers- en tweedekkers-vliegtuigen. Als locatie werd het Milbertshofendistrict in de Beierse stad München gekozen. Het bedrijf groeit snel, en telt al 370 medewerkers in 1915.
In 1916 verkoopt Karl Rapp zijn bedrijf aan Gustav Otto, die het fusioneert met zijn in 1912 opgerichte bedrijf "Aerowerke Gustav Otto" (A.G.O.). Het nieuwe bedrijf krijgt de naam Bayerische Flugzeug Werke. BMW beschouwt de oprichtingsdatum van zijn juridische voorganger Bayerische Flugzeug Werke (7 maart 1916) als zijn echte oprichtingsdatum.
In 1916 verkreeg het bedrijf een contract om V12 motoren te bouwen voor Oostenrijk-Hongarije. Rapp zocht extra kapitaal en vond dat bij Camillo Castiglioni en Max Friz. Een te snelle uitbreiding zorgde voor problemen, waarna Rapp het bedrijf verliet. De leiding van het bedrijf werd overgenomen door Franz Josef Popp, en het bedrijf werd omgedoopt tot Bayerische Motoren Werke GmbH.
Na de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek eerst een tijdje gesloten, omdat het Duitse bedrijf door de bepalingen van het Verdrag van Versailles verboden werd om nog (militaire) vliegtuigmotoren te produceren. Na heropening ging de fabriek voornamelijk remmen voor spoorwegwagens produceren, onder de naam Süddeutsche Bremsen-AG ("Südbremse").
Na verkoop van het bedrijf aan Knorr-Bremse koopt voormalig meerderheidsaandeelhouder Camillo Castiglioni in 1922 de naam BMW terug en verkoopt deze aan de Bayerische Flugzeug Werke. Onder de nieuwe naam BMW produceerde de voormalige BFW motors voor verscheidene producten, later ook voor motorfietsen en personenwagens. In 1923 begon Bayerische Motoren Werke (BMW) met de productie van de eerste motorfiets, de BMW R32.
In 1928 nam BMW de voertuigfabriek Eisenach A.G. over, waar men de kleine Dixi bouwde. Dit was voor Bayerische Motoren Werke de start als autofabrikant. In maart 1929 produceerde BMW de eerste auto: de BMW 3/15 (de 15 verwees naar het aantal pk), een afgeleide van de Austin Seven.
BMW's eerste echte eigen auto's werden vanaf 1933 geproduceerd. Dit waren meer geavanceerde 6-cilinder sportwagens en sedans. Vooral de 327 sedan en 328 roadster, snelle 2-liter wagens, waren zeer geavanceerd voor hun tijd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was BMW een grote leverancier van motoren aan de Luftwaffe en van motorfietsen en andere voertuigen aan de Wehrmacht. De vestiging in München maakte voor de fabricage ervan ruim gebruik van dwangarbeiders: buitenlandse burgers, krijgsgevangenen en gevangenen uit het concentratiekamp Dachau.[3].Een van de motortypen was de 801, een van de krachtigste motoren in die tijd. Een type zijspancombinatie werd Wehrmachtsgespann genoemd. Tot 1945 werden er in totaal meer dan 30.000 geproduceerd.
De Bayerische Motoren Werke-fabrieken werden tegen het einde van de oorlog zwaar gebombardeerd. De fabriek in München werd voor het grootste deel verwoest. De fabrieken in oostelijk Duitsland (Eisenach, Dürrerhof, Basdorf en Zühlsdorf) werden door de Sovjet-Unie in beslag genomen.
De Sovjets gingen de BMW ontwerpen nabouwen, maar het betrof feitelijk alleen auto's en de eencilinder BMW R35. Daarom zijn de merken IMZ Ural en KMZ Dnepr geen kopieën van het in Eisenach geproduceerde Wehrmachtsgespann. De Sovjet-boxermachines waren nagemaakte BMW R71 zijspancombinaties, die al in 1939 via Zweedse tussenpersonen waren aangekocht. Na de oorlog herstelde BMW zich.
De onderneming dreef vooral op de bouw van motorfietsen. Men bouwde na de oorlog voornamelijk grote sportwagens en limousines met V8 motor die maar mondjesmaat werden verkocht. De fabriek kwam daardoor op het randje van het bankroet. De redding kwam in de vorm van een driewielig 'scootmobiel' in licentie van het Italiaanse Iso, de BMW Isetta en de BMW 700.
De doorbraak kwam met de BMW 1500 uit 1961. Halverwege de jaren zestig had BMW behoefte aan extra productiecapaciteit, terwijl de ontwikkelings- en productiekosten bij Hans Glas GmbH juist te hoog werden. BMW nam de firma Glas in Dingolfing in november 1966 over voor 9,1 miljoen DM.
Sommige Glas modellen werden nog enkele jaren in productie gehouden, zoals de 1700 GT Coupé die als BMW 1600 Coupé verderging, en enkele Goggomobil modellen. De Glas 3000 V8 werd juist in productie genomen, en kreeg zelfs geen echt BMW uiterlijk, met uitzondering van het logo op de grille. In 1969 liep de laatste Goggomobil van de band in Dingolfing. Vanaf dat moment werden hier uitsluitend nog BMW's geproduceerd.
Sindsdien bouwde BMW een gamma van sportieve sedans en coupés op die leverbaar waren met veel verschillende motoren, wat in de jaren zestig bijzonder was. Het merk creëerde een nieuw genre met de 323i uit 1977, een relatief kleine sedan met achterwielaandrijving en een 6-in-lijn benzinemotor onder de motorkap.
Zoals vele andere automerken zag BMW zich in strijd met de concurrentie gedwongen uit te breiden. Het bedrijf nam in 1994 het Britse Rover over voor 1,7 miljard pond.[4] In 1998 verloor BMW de strijd om Rolls-Royce van Volkswagen, maar kaapte de rechten op de naam Rolls-Royce, die bij Rolls-Royce Aerospace bleken te berusten, voor de neus van Volkswagen weg.
Ook in de motorfietsbranche deed BMW goede zaken, de bekende tweecilinder tweewielers werden vanaf de jaren zestig niet alleen populair bij overheidsdiensten, maar ook zeker bij het grote publiek. Begin jaren tachtig maakte BMW de fout de populaire boxermotor te willen laten vallen ten faveure van 3- en 4-cilinder in lijnblokken, echter dat besluit werd na stormachtige protesten al snel weer teruggedraaid.
BMW is nog steeds een zelfstandig concern en is dus geen onderdeel van een overkoepelende moedermaatschappij. BMW is groot geworden door de autosport. Er zijn ontelbare successen behaald in de belangrijkste nationale en internationale competities op het gebied van toerwagens.
Met de sterke 1,5 liter 4 cilinder turbomotor werd Nelson Piquet in 1983 wereldkampioen. Later was BMW nog motorenleverancier voor het team BMW-Williams tussen 2000 en 2005. BMW stopte de samenwerking met Williams na het seizoen van 2005. Het kocht het Formule 1-team van Peter Sauber voor de aanvang van het seizoen 2006.
Het logo bestaat uit een zwarte ring met de hoofdletters BMW. Daarbinnen staat een blauw-wit geblokt veld, een verwijzing naar het wapen van Beieren. Nadat BMW vliegtuigmotoren ging fabriceren, ontstond het verhaal dat het logo een verwijzing is naar een propeller. Ook BMW zelf hield dit verhaal in stand. Pas in 2005 werd de ware oorsprong van het logo weer bekend.
De hoofdvestiging van Bayerische Motoren Werke in München is de BMW Viercilinder, een gebouw dat qua vorm zijn naam eer aan doet. Het gebouw is door de Oostenrijkse architect Karl Schwanzer ontworpen. Een ander gebouw in de stad, eveneens van de hand van Schwanzer, is het BMW Museum. Een nieuwe vestiging in München voor het concern is BMW Welt, een complex dat werd ontwikkeld door het architectenconcern Coop Himmelb(l)au.
BMW heeft met dit gebouw voor ogen de dialoog met de klant te versterken en een belevingservaring op te wekken wanneer ze hun nieuwe voertuig afhalen. In 1994 opende BMW in de Amerikaanse staat South Carolina zijn eerste assemblagefabriek op het Amerikaanse continent: BMW Manufacturing Co. Spartanburg. Begin 2014 gaf BMW aan de fabriek sterk uit te breiden. Met een investering van 1 miljard dollar gespreid over twee jaren wordt de capaciteit met 50% uitgebreid.
Sinds 2003 heeft BMW een joint venture in de Volksrepubliek China. BMW Brilliance Automotive is verantwoordelijk voor de productie en verkoop van voertuigen in het land.
De familie Quandt heeft nog steeds het grootste deel van de aandelen in handen: eind 2014 bezaten Johanna Quandt (16,87 % van het totale aandelenkapitaal, waarvan 0,4% direct en 16,4% indirect via haar vennootschap Johanna Quandt GmbH & Co. KG für Automobilwerte) en haar 2 kinderen Stefan Quandt (17,4% van de aandelen, indirect via zijn vennootschap AQTON SE) en Susanne Klatten (naam van haar echtgenoot; 12,6%, indirect via haar vennootschap Susanne Klatten Beteiligungs GmbH) als belangrijkste aandeelhouders samen 46,8% van alle aandelen.[10]
Deze drie personen zetelen ook als bestuurders in de Raad van Bestuur van BMW. De 16,4% van de aandelen die indirect in het bezit waren van Johanna Quandt, heeft zij wel de bijhorende stemrechten behouden, maar de naakte eigendom via schenking doorgegeven aan haar twee kinderen.
BMW produceerde in 2014 voor het eerst meer dan twee miljoen voertuigen. Het BMW merk heeft veruit het grootste aandeel, van de Mini werden er ruim 300.000 geproduceerd en de productie van Rolls-Royce voertuigen is niet meer dan enkele duizenden. Het aandeel van de motorenverkoop in de totale omzet is bescheiden en was in 2014 minder dan 2 miljard euro of minder dan 3% van het totaal.
º Oprichting van de Bayerische Motoren Werke GmbH.
| Kenmerk | Waarde |
|---|---|
| Lengte | 2,29 m |
| Breedte | 1,37 m |
| Motor | 236 cc, 9,5 pk ééncilinder tweetaktmotor |
| Topsnelheid | 75 km/u |
